|
|
1 februari 2013 Inl.2. Handleiding bij het Repertorium
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Terugbetalingscategorie | Gewoon verzekerden | Verhoogde tegemoetkoming (inclusief OMNIO-statuut) |
A |
Geen remgeld |
Geen remgeld |
|
B |
€ 11,60 |
€ 7,70 |
B - “grote verpakkingen” |
€ 14,50 |
€ 9,60 |
|
C |
€ 14,50 |
€ 9,60 |
Cs en Cx |
Geen plafond |
Geen plafond |
Voor informatie betreffende de terugbetaling van magistrale bereidingen, zie www.riziv.fgov.be/drug/nl/drugs/magisterial-preparations/index.htm. Het Therapeutisch Magistraal Formularium (TMF) wordt uitgegeven door het FAGG en bevat magistrale formules gevalideerd naar bereiding en stabiliteit (zie Bijlage 2.2.).
Voor gehospitaliseerde patiënten is de persoonlijke tussenkomst voor vergoedbare specialiteiten forfaitair vastgelegd op € 0,62 per hospitalisatiedag (meer informatie via www.riziv.fgov.be/care/nl/hospitals/specific-information/forfaitarisation/index.htm).
Sinds enkele jaren bestaat het systeem van referentieterugbetaling indien voor een specialiteit een goedkopere vergoedbare “referentie” beschikbaar is (bv. een “generische specialiteit”) Dit heeft als gevolg dat de patiënt soms een hogere persoonlijke bijdrage (remgeld) betaalt wanneer de duurdere specialiteit wordt voorgeschreven en afgeleverd; het remgeld voor de patiënt wordt verhoogd met het eventuele verschil tussen de publieksprijs en de vergoedingsbasis (“supplement bij het remgeld”). Sinds 1 april 2010 bedraagt dit “supplement” nog maximaal € 10,80 (door de invoering van de “veiligheidsmarge”). Meer informatie hierover kan gevonden worden op de website van het RIZIV (www.riziv.fgov.be/drug/nl/drugs/general-information/refunding-reference/index.htm).
Bovendien wordt er bij elke arts vanaf 1 april 2006 op toegezien in hoeverre hij bij het voorschrijven van vergoedbare specialiteiten, tracht rekening te houden met hun kostprijs. Daartoe wordt vanaf die datum, telkens per periode van 6 maanden, nagegaan hoeveel percent “goedkope geneesmiddelen” (afgeleverd in een openbare apotheek) de arts voorschrijft ten opzichte van zijn totaal aantal voorgeschreven vergoedbare specialiteiten.
Dit maakt dat, in verband met het remgeld en in verband met de controle op het voorschrijven van “goedkope geneesmiddelen”, twee categorieën geneesmiddelen te onderscheiden zijn.
De prijsvergelijkingstabellen op onze website (bereikbaar via het aanklikken van het symbool
ter hoogte van de verpakking) laten toe om de specialiteiten met dezelfde actieve bestanddelen te vergelijken wat betreft kostprijs en wat betreft de symbolen
,
en
.
Alle geneesmiddelen die worden voorgeschreven op stofnaam (zie Inl.6.5.) worden gerekend onder de “goedkope geneesmiddelen”, en tellen dus mee voor het percentage “goedkope geneesmiddelen”.
Sinds 1 april 2012 geldt voor antibiotica en antimycotica voorgeschreven voor de behandeling van een acute aandoening, en voor alle voorschriften op stofnaam (zie Inl.6.5.), dat ze slechts terugbetaald worden als de apotheker een specialiteit aflevert die door het RIZIV als “goedkoopste” wordt aangeduid, tenzij de arts een door het RIZIV aanvaarde uitzondering (therapeutische reden of allergie aan een hulpstof) op het voorschrift vermeldt. De apotheker kan in geval van onbeschikbaarheid of hoogdringendheid afwijken van de regeling “goedkoopste geneesmiddel” en een ander zo goedkoop mogelijk terugbetaald geneesmiddel afleveren, maar hij moet dit op het voorschrift vermelden en handtekenen. Voor gedetailleerde informatie, zie www.riziv.be/drug/nl/drugs/general-information/antibiotic/index.htm Op de website van het BCFI worden de “goedkoopste” geneesmiddelen met een lichtgroene achtergrond weergegeven in de prijsvergelijkingstabellen (bereikbaar via het aanklikken van het symbool
ter hoogte van de verpakking) [zie Folia mei 2012]. In de prijsvergelijkingstabellen (kolom HEW) vindt men voor de antibiotica en de antimycotica ook de “hulpstoffen met erkende werking” (HEW), d.w.z. hulpstoffen waarvan bekend is dat ze problemen kunnen stellen [zie Folia april 2012].
Op onze website vindt men volgende informatie.
De posologie van de meeste geneesmiddelen moet individueel worden aangepast onder meer in functie van leeftijd, ziektetoestanden en soms van genetische voorbeschiktheid.
| Creatinineklaring (in ml/min) = | (140 - leeftijd in jaren) x lichaamsgewicht (in kg) 72 x serumcreatinine (mg/100 ml) |
Bij de vrouw dient de bekomen waarde vermenigvuldigd te worden met 0,85.
Meer en meer maakt men als maat voor de nierfunctie gebruik van de glomerulaire filtratiesnelheid, berekend met de MDRD (Modification of Diet in Renal Disease)-formule [zie Folia augustus 2010 en december 2010].
Bij ziektetoestanden kunnen er veranderingen zijn zowel in de gevoeligheid van de eindorganen als in de dispositie van de geneesmiddelen.
Genetische verschillen komen voor ter hoogte van enzymen die een rol spelen in de afbraak van geneesmiddelen, maar ook bv. ter hoogte van transporteiwitten en van receptoren betrokken bij de interactie van een geneesmiddel met het doelwitorgaan. In verband met genetische verschillen die de afbraak en dus het antwoord op een geneesmiddel kunnen beïnvloeden, is vooral het genetische polymorfisme ter hoogte van bepaalde cytochroom P450-iso-enzymen (o.a. CYP2D6, CYP2C9 en CYP2C19, zie Inl.6.3.) goed bekend [zie Folia augustus 2003 en december 2006].
Voor sommige geneesmiddelen met een nauwe therapeutisch-toxische marge kan bepaling van de concentratie in het plasma of het bloed nuttig zijn, vooral indien er een sterke variabiliteit is in hun farmacokinetiek of indien hun farmacokinetiek door ziektetoestanden of interacties sterk wordt beïnvloed. Voor sommige geneesmiddelen, bv. de immunosuppressiva ciclosporine, everolimus, mycofenolaat, sirolimus en tacrolimus, variëren de gewenste concentraties in functie van de leeftijd, de indicatie of het al dan niet gelijktijdig gebruik van andere geneesmiddelen.
Bij bepaling van de concentratie in het plasma of het bloed is overleg met de klinisch bioloog vaak wenselijk. In het Repertorium worden de therapeutische plasmaconcentratiespiegels vermeld voor digoxine, lithium, theofylline en een aantal anti-epileptica (carbamazepine, fenobarbital, fenytoïne en valproïnezuur). Ook voor andere geneesmiddelen kan bepaling van de concentratie in plasma of bloed nuttig zijn, bv. aminoglycosiden, amiodaron, glycopeptiden, immunosuppressiva, lamotrigine, levetiracetam, methotrexaat, oxcarbazepine.
Ongewenste effecten van geneesmiddelen zijn dikwijls weinig ernstig, maar zeer ernstige, soms levensbedreigende reacties zijn mogelijk. Er is ook toenemende aandacht voor de rol van genetische factoren in het ontstaan van ongewenste effecten ten gevolge van bepaalde geneesmiddelen [zie Folia februari 2009]. Sommige ongewenste effecten zijn eigen aan een bepaalde geneesmiddelenklasse, andere zijn eigen aan een bepaalde substantie. In dit Repertorium worden enkel de belangrijkste ongewenste effecten vermeld; voor meer details moet de Samenvatting van de Kenmerken van het Product (SKP) of gespecialiseerde werken geraadpleegd worden.
Geneesmiddelenbewaking, d.w.z. het opsporen van ongewenste effecten van geneesmiddelen nadat deze op de markt zijn gebracht, is noodzakelijk gezien het risicoprofiel van een geneesmiddel op het ogenblik van commercialisering meestal nog onvoldoende bekend is. Spontane meldingen aan een geneesmiddelenbewakingscentrum zijn dus essentieel om in een zeer vroeg stadium signalen van ongewenste effecten te identificeren en om maatregelen te treffen i.v.m. risicobeheer en -beperking. Vooral het melden van volgende ongewenste effecten aan een geneesmiddelenbewakingscentrum is nuttig: ongewenste effecten die nergens vermeld worden (bv. noch in de SKP, noch in handboeken), ongewenste effecten bij recent geïntroduceerde geneesmiddelen (zie verder voor uitleg in verband met het symbool “zwarte driehoek”
), ernstige ongewenste effecten zoals levensbedreigende reacties, reacties die leiden tot hospitalisatie of met irreversibele gevolgen (bv. invaliditeit of congenitale afwijkingen), en ongewenste effecten bij kinderen. [Zie Folia oktober 2006 en april 2010]
In België wordt een systeem voor spontane meldingen beheerd door het Centrum voor Geneesmiddelenbewaking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten (FAGG). Artsen, apothekers en tandartsen kunnen er door middel van de “gele fiches” vermoede ongewenste effecten van geneesmiddelen melden. De “gele fiches” worden met dit Repertorium verspreid, en worden ook regelmatig met de Folia Pharmacotherapeutica meegestuurd; ze kunnen daarenboven bekomen worden bij het Centrum voor Geneesmiddelenbewaking (zie Bijlage 1.). Via de website www.gelefiche.be kunnen ongewenste effecten ook online gemeld worden aan het Centrum voor Geneesmiddelenbewaking. Het geel icoon t.h.v. de titel “Geneesmiddelenbewaking” in de Folia-rubriek op de homepage van onze website leidt naar www.gelefiche.be. Ook verpleegkundigen en vroedvrouwen kunnen via deze website ongewenste effecten rapporteren. Het Centrum voor Geneesmiddelenbewaking geeft aan elke melder feedback, bijvoorbeeld door het toesturen van literatuurgegevens. Ook verschijnt in de Folia Pharmacotherapeutica maandelijks een rubriek “Medegedeeld door het Centrum voor Geneesmiddelenbewaking“. De nieuwe Europese regelgeving inzake geneesmiddelenbewaking maakt het ook voor patiënten mogelijk om rechtstreeks ongewenste effecten te melden aan het Centrum voor Geneesmiddelenbewaking (zie bericht van 11/09/12 in de rubriek “Goed om te weten” op onze website).
Farmaceutische bedrijven informeren de gezondheidszorgbeoefenaars over de mogelijke risico’s bij het gebruik van bepaalde geneesmiddelen en over de maatregelen en aanbevelingen om deze risico’s te beperken, via de zogenaamde Direct Healthcare Professional Communications (DHPC), dikwijls Dear Doctor Letter genoemd. De doelgroep (huisartsen, specialisten, officina-apothekers of ziekenhuisapothekers) wordt bepaald in functie van het betrokken geneesmiddel. Men kan deze DHPC’s raadplegen op de website van het FAGG (www.fagg.be, rubriek Menselijk Gebruik - Geneesmiddelenbewaking - Brieven aan zorgbeoefenaars).
Om meer aandacht te vestigen op de specialiteiten met een nieuw actief bestanddeel en op de nieuwe biologische geneesmiddelen wordt bij deze specialiteiten in het Repertorium het symbool “zwarte driehoek” (
) getoond gedurende de eerste drie jaar na hun commercialisering. Dit symbool vestigt de aandacht op het feit dat de ervaring met deze recente geneesmiddelen in de dagelijkse praktijk nog gering is, en dat het Centrum voor Geneesmiddelenbewaking het middel van nabij volgt; het is dan ook een oproep om vermoede ongewenste effecten voor deze middelen zeker te rapporteren, zelfs bij twijfel over een causaal verband [zie ook Folia december 2007 en april 2010]. Een maandelijks bijgewerkte lijst van geneesmiddelen waarvoor het symbool
wordt getoond, is te vinden op de website van het FAGG: www.fagg.be, klik rechts op “Het melden van bijwerkingen”. Deze lijst wordt ook maandelijks in de rubriek “Goed om te weten” op onze website gepubliceerd.
Torsades de pointes zijn mogelijk fataal verlopende ventrikeltachycardieën, meestal geassocieerd aan een lange QT-tijd op het elektrocardiogram (ECG). Er is daarom veel aandacht voor de QT-verlenging door geneesmiddelen. Of de QT-verlenging op ECG aanleiding geeft tot aritmie is echter een complex proces, en aritmie treedt meestal slechts op bij een combinatie van risicofactoren. Het verband tussen QT-verlenging en optreden van torsades de pointes is meest duidelijk voor de antiaritmica van klasse IA (disopyramide, kinidine) en voor sotalol; amiodaron daarentegen veroorzaakt (niettegenstaande de duidelijke QT-verlenging) zelden torsades de pointes. Ook sommige niet-cardiale geneesmiddelen kunnen het QT-interval verlengen. Torsades de pointes treden met deze middelen echter zelden op en meestal enkel bij bestaan van bijkomende risicofactoren. Risicofactoren voor verlenging van het QT-interval en torsades de pointes zijn: leeftijd > 65 jaar, vrouwelijk geslacht, hartlijden (hartfalen, ischemie, bradycardie, tweede- en derdegraads atrio-ventriculair blok), elektrolietenstoornissen (hypokaliëmie, hypomagnesiëmie). Er bestaat ook een congenitaal lang QT-syndroom.
Combinatie van meerdere geneesmiddelen die het QT-interval kunnen verlengen, verhoogt het risico. Ook bij associatie van een QT-verlengend geneesmiddel met een geneesmiddel dat diens metabolisme inhibeert, met een bradycardiserend geneesmiddel (bv. ivabradine, cholinesterase-inhibitoren gebruikt bij alzheimerdementie) of met een geneesmiddel dat elektrolytenstoornissen kan veroorzaken (bv. kaliumverliezende diuretica) neemt het risico toe; de β-blokkers (uitgezonderd sotalol) en diltiazem en verapamil stellen, niettegenstaande hun bradycardiserend effect, waarschijnlijk geen probleem. Systematische ECG-monitoring bij starten van een QT-verlengend geneesmiddel is niet haalbaar. Wel is het belangrijk bepaalde risicosituaties te vermijden en steeds na te gaan of er onderliggende risicofactoren voor QT-verlenging en torsades de pointes aanwezig zijn.
Verlenging van het QT-interval werd vooral beschreven met de H1-antihistaminica terfenadine en astemizol, die niet meer beschikbaar zijn. Met de recenter geïntroduceerde H1-antihistaminica zijn de gegevens geruststellend. In de tabel hieronder is een selectie gemaakt van de geneesmiddelen waarvoor het risico van QT-verlenging goed bekend is.
Anti-aritmica
|
|
De selectieve oestrogeenreceptormodulator toremifen |
Het narcotisch analgeticum methadon |
|
Anti-infectieuze middelen
|
Antitumorale middelen
|
Een aantal geneesmiddelen worden in dit Repertorium als “anticholinergica” (syn. muscarinereceptorantagonisten of atropine-achtigen) aangeduid, gezien hun beoogde effect berust op dit anticholinerg effect. Het gaat om butylhyoscinebromide bij abdominale krampen, anticholinergica bij blaasfunctiestoornissen, anticholinergica bij astma en COPD, anticholinergica bij de ziekte van Parkinson, bepaalde mydriatica en cycloplegica, atropine. Heel wat andere geneesmiddelen hebben anticholinerge eigenschappen, maar worden niet omwille van deze eigenschappen gebruikt; ze geven echter wel anticholinerge ongewenste effecten. Het gaat vooral om bepaalde antidepressiva (vooral TCA’s en aanverwanten, maar ook bepaalde SSRI’s en MAO-inhibitoren), bepaalde H1-antihistaminica (vooral promethazine, difenhydramine, hydroxyzine, chloorfenamine, cetirizine, loratadine, meclozine), bepaalde antipsychotica (vooral fenothiazines, clozapine, haloperidol, olanzapine, pimozide, risperidon), baclofen, carbamazepine en oxcarbazepine, disopyramide, nefopam en tizanidine.
Centrale anticholinerge ongewenste effecten zijn vooral duizeligheid, zelden delirium, met of zonder agitatie. Perifere anticholinerge ongewenste effecten zijn vooral droge mond en ogen, verminderde zweetsecretie, nausea en obstipatie, mydriase en accomodatiestoornissen, urineretentie, zelden tachycardie en ritmestoornissen.
De voornaamste contra-indicaties van geneesmiddelen met anticholinerge eigenschappen zijn: gesloten-hoekglaucoom, reflux-oesofagitis, pylorusstenose, intestinale atonie, paralytische ileus, ernstige colitis ulcerosa, myasthenia gravis (tenzij om cholinerge effecten van cholinesterase-inhibitoren tegen te gaan).
Voorzichtigheid is vooral geboden bij kinderen en ouderen: ze zijn gevoeliger voor de ongewenste effecten; verlagen van de dosis kan aangewezen zijn. Andere risicosituaties zijn prostaathypertrofie, diarree, hyperthermie, tachycardie (bv. door hyperthyreoïdie, hartfalen), hypertensie en acuut myocardinfarct.
Het serotoninesyndroom wordt gekenmerkt door hyperthermie, hyperreflexie, agitatie en myoclonieën; zelden zijn er convulsies en ventriculaire tachyaritmie, met soms fatale afloop. Dit syndroom wordt vooral gezien bij patiënten die ofwel een SSRI ofwel een MAO-inhibitor nemen, samen met een ander serotoninerg geneesmiddel, zoals dextromethorfan, bepaalde narcotische analgetica (hydromorfon, pethidine, tramadol), bepaalde antipsychotica, vele antidepressiva (vooral de SSRI’s en de MAO-inhibitoren, maar ook duloxetine, trazodon, venlafaxine en sommige TCA’s zoals amitriptyline, clomipramine, imipramine), lithium, Hypericum perforatum (sint-janskruid), de triptanen, de ergotderivaten, linezolide. Het serotoninesyndroom treedt zelden op indien slechts één serotoninerg geneesmiddel wordt gebruikt, tenzij bij overdosering van het middel.
Het maligne neurolepticasyndroom (nu ook maligne antipsychoticasyndroom genoemd) is een zeldzaam maar zeer ernstig ongewenst effect van antipsychotica. Het treedt op vooral in het begin van de behandeling met antipsychotica of na een dosisverhoging. Het syndroom wordt gekenmerkt door het vrij plotseling optreden van extrapiramidale rigiditeit, onwillekeurige bewegingen en hyperthermie, vaak gecombineerd met dysartrie, dysfagie en acute nierfunctiestoornis. Er kunnen ook bewustzijnsveranderingen en ontregeling van het autonome zenuwstelsel optreden. Het syndroom kan fataal aflopen door nierinsufficiëntie en hyperthermie met tachycardie. Dringende hospitalisatie is noodzakelijk. Het syndroom werd ook beschreven met lithium, en bij plots stoppen van levodopa, dopamine-agonisten en COMT-inhibitoren.
Het DRESS-syndroom is een zeldzame overgevoeligheidsreactie op bepaalde geneesmiddelen die pas optreedt na 2 tot 8 weken inname. Koorts, exantheem, lymfadenopathie en eosinofilie zijn aanwezig; dikwijls zijn er ook andere symptomen en bloedafwijkingen. Na het stoppen van het oorzakelijke geneesmiddel is het DRESS-syndroom meestal reversibel maar fatale afloop is mogelijk. Heel wat geneesmiddelen kunnen het DRESS-syndroom veroorzaken; het werd meest beschreven met anti-epileptica (carbamazepine, fenobarbital, fenytoïne, lamotrigine); ook met allopurinol, anti-infectieuze middelen, sulfasalazine, NSAID's en strontiumranelaat werden meermaals gevallen gerapporteerd.
Hyperkaliëmie kan leiden tot cardiale problemen (gaande tot ventrikelaritmieën) en neuromusculaire problemen (spierzwakte, gaande tot paralyse).
Bij normale nierfunctie wordt overtollig kalium gemakkelijk uitgescheiden. Hyperkaliëmie (kaliumserumconcentratie > 5,5 mmol/l) wordt meestal veroorzaakt door een combinatie van factoren, met als belangrijkste nierinsufficiëntie (let op bij ouderen en diabetici) en inname van bepaalde geneesmiddelen. Geneesmiddelengroepen die hyperkaliëmie kunnen veroorzaken, zijn o.a. ACE-inhibitoren, sartanen en renine-inhibitoren, kaliumsparende diuretica, kaliumsupplementen, heparines, niet-steroïdale anti-inflammatoire middelen. Daarnaast komt hyperkaliëmie ook voor bij antilymfocytaire immunoglobulines, ciclosporine, drospirenon, erythropoëtines, tacrolimus, trimethoprim.
Al deze middelen mogen niet gebruikt worden bij patiënten met voorafbestaande hyperkaliëmie. Kaliumsupplementen en kaliumsparende diuretica zijn gecontra-indiceerd bij patiënten met nierinsufficiëntie. Gelijktijdig gebruik van meerdere van bovenstaande middelen (bv. lage doses spironolacton samen met ACE-inhibitoren bij hartfalen) dient voorzichtig te gebeuren. Gelijktijdig gebruik van kaliumsupplementen en kaliumsparende diuretica is te mijden.
Bij duidelijke hyperkaliëmie zijn hartbewaking en eventueel andere maatregelen aangewezen.
Geneesmiddelen die convulsies kunnen uitlokken, zeker wanneer ze onderling worden gecombineerd, zijn o.a. antidepressiva (TCA’s en aanverwanten, SSRI’s), antipsychotica, bupropion, centrale stimulantia, chinolonen, theofylline, tramadol. Voorzichtigheid is geboden bij patiënten met antecedenten van convulsies.
Er is, terecht, veel interesse voor de mogelijke interacties tussen geneesmiddelen onderling, en tussen geneesmiddelen en voeding, alcohol, roken. Toedienen van meerdere geneesmiddelen en de daaropvolgende interacties zijn soms gewenst, bv. bij de behandeling van hartfalen, hypertensie en ziekte van Parkinson, en bij bepaalde oncologische behandelingen. In wat volgt wordt echter vooral aandacht besteed aan ongewenste interacties, waarbij zowel de ernst als de frequentie van optreden belangrijk zijn.
De mogelijkheid dat een interactie zou optreden bij gelijktijdige toediening van twee of meer geneesmiddelen, vormt slechts zelden een contra-indicatie. Nauwgezette opvolging van de patiënt laat inderdaad dikwijls toe om bepaalde geneesmiddelen toch samen toe te dienen, soms wel met dosisaanpassing. Ten andere is bij elke toediening van meerdere geneesmiddelen voorzichtigheid geboden, zeker als het gaat om geneesmiddelen met nauwe therapeutisch-toxische marge.
In dit Repertorium worden alleen klinisch relevante interacties vermeld. Het niet vermelden in het Repertorium van een interactie betekent niet dat er zich geen probleem kan voordoen (voor onze methodologie, zie Inl.2.). Het is echter dikwijls niet gemakkelijk te beslissen of een bepaalde interactie klinisch belangrijk is. Daarenboven is er een uitgesproken interindividuele variabiliteit. Het al dan niet optreden van interacties en de ernst ervan worden sterk beïnvloed door het aantal ingenomen geneesmiddelen, het onderliggend lijden, de gevorderde leeftijd en de genetische voorbeschiktheid.
In de teksten van het Repertorium worden de interacties vermeld in de desbetreffende rubriek. Verder zijn er nog tabellen voor de interacties t.h.v. de CYP-iso-enzymen (tabellen Ib en Ic, zie Inl.2.), voor de interacties t.h.v. P-glycoproteïne (P-gp, tabel Id, zie Inl.2.) en voor de interacties met de vitamine K-antagonisten (tabel 2a).
Interacties kunnen zich afspelen op het farmacodynamische vlak en op het farmacokinetische vlak.
Farmacodynamische interacties
Men spreekt van farmacodynamische interacties wanneer toediening van meerdere geneesmiddelen of toediening van geneesmiddelen samen met bv. voeding of alcohol, leidt tot een verandering van het antwoord, zonder dat de concentraties van de betrokken geneesmiddelen in het organisme wijzigen. Het kan bv. gaan om competitie t.h.v. een receptor (een agonist en een antagonist), om ingrijpen van meerdere geneesmiddelen op eenzelfde eindorgaan (bv. de hersenen, met overdreven sedatie), om geneesmiddelen die ingrijpen op verschillende niveaus van eenzelfde stelsel (bv. verstoren van de cardiovasculaire homeostase) of van het normale stollingsproces. Farmacodynamische interacties zijn vaak een klasse-effect, terwijl farmacokinetische interacties vaker specifiek zijn voor één bepaald middel. Ten onrechte wordt vaak het belang van farmacodynamische interacties onderschat ten voordele van de farmacokinetische, waarschijnlijk omdat voor deze laatste meten van de concentraties kan gebeuren.
Farmacokinetische interacties
Dit zijn interacties waarbij de concentraties van een geneesmiddel (het “substraat of “slachtoffergeneesmiddel”) in het organisme worden gewijzigd door een ander geneesmiddel of bv. voeding. Een verandering van de concentratie van een geneesmiddel in het organisme leidt niet noodzakelijk tot een klinisch relevante verandering van het antwoord, en kleine veranderingen zullen meestal geen gevolg hebben. Veranderingen van de concentratie hebben vanzelfsprekend meer belang als het gaat om slachtoffergeneesmiddelen met nauwe therapeutisch-toxische marge (bv. digoxine, anti-epileptica, anti-aritmica, vitamine K-antagonisten) of om anticonceptiva.
Farmacokinetische interacties kunnen zich afspelen t.h.v. de resorptie, de distributie, de metabolisatie en de excretie van een geneesmiddel. Aandacht gaat vooral naar interacties die leiden tot een veranderde biologische beschikbaarheid, en naar deze die leiden tot versnellen of vertragen van de afbraak van een geneesmiddel t.h.v. de lever. Daarbij leidt vertragen van de metabolisatie meestal tot een versterkt antwoord, en versnellen van de metabolisatie tot een verminderd antwoord. Uitzondering daarop zijn de prodrugs (bv. codeïne, tamoxifen), waarbij omzetting tot een actieve metaboliet nodig is voor het effect: vertragen van de metabolisatie leidt dan tot een verminderd antwoord.
De afbraak van geneesmiddelen t.h.v. de lever gebeurt vooral onder invloed van het cytochroom P450-systeem: het gaat daarbij om verschillende CYP-iso-enzymen. Bij de mens zijn vooral de iso-enzymen CYP1A2, CYP2C8, CYP2C9, CYP2C19, CYP2D6 en CYP3A4 belangrijk bij de afbraak van frequent gebruikte geneesmiddelen (zie tabellen Ib en Ic). Sommige geneesmiddelen worden uitsluitend of vooral door één van deze iso-enzymen afgebroken; dikwijls is een geneesmiddel echter substraat van meerdere iso-enzymen. Geneesmiddelen, alcohol, roken en voeding kunnen de activiteit van deze iso-enzymen versterken (induceren) of verminderen (inhiberen). Er bestaan minder en meer potente inhibitoren en inductoren, en hun effect hangt ook af van hun concentratie, en dus van de dosis die gebruikt wordt. Ook is er een belangrijke interindividuele variabiliteit. De invloed van een inhibitor of een inductor zal vanzelfsprekend vooral groot zijn indien het slachtoffergeneesmiddel (het substraat) alleen of vooral wordt afgebroken door één iso-enzym. Interacties t.h.v. de CYP-iso-enzymen kunnen bestudeerd worden in vitro, door meten van de plasmaconcentraties of door het bestuderen van het antwoord op het geneesmiddel. Het vinden van een verandering in vitro of van een gewijzigde plasmaconcentratie betekent niet automatisch dat er ook een klinisch relevante verandering in antwoord zal zijn.
Er is ook interesse voor farmacokinetische interacties die zich afspelen t.h.v. membraangebonden transporteiwitten, voornamelijk P-glycoproteïne (P-gp). P-gp is een pomp aanwezig in bepaalde celmembranen: P-gp vermindert de intestinale resorptie van substraten, verhoogt hun hepatische en renale eliminatie, en vermindert ter hoogte van de bloed-hersenbarrière de opname van substraten in de hersenen. Inductoren van P-gp verlagen de plasmaconcentraties van substraten. Inhibitoren verhogen de plasmaconcentratie van substraten. In tabel Id worden de belangrijkste substraten, inhibitoren en inductoren van P-gp vermeld. Voor vele van deze substraten, inhibitoren en inductoren, is er een overlap met het CYP-iso-enzym 3A4.
Tabel Ib. De CYP-iso-enzymen, met hun substraten, inhibitoren en inductoren
De inhibitoren en inductoren waarvan men verwacht dat ze de klinisch meest relevante interacties zullen geven, worden vetjes gedrukt.
Voor meer informatie, zie Inl.6.3.
Substra ten |
Inhibitoren (↑ substraatplasmaconcentratie) |
Inductoren (↓ substraatplasmaconcentratie) | |
CYP1A2 |
|
|
|
CYP2C8 |
|
|
|
CYP2C9 |
|
|
|
CYP2C19 |
|
|
|
|
CYP2D6 |
|
|
|
|
CYP3A4 |
|
|
|
De inhibitoren en inductoren waarvan men verwacht dat ze de klinisch meest relevante interacties zullen geven, worden vetjes gedrukt. Voor meer informatie, zie Inl.6.3.
| Substraat van | Inhibitor van | Inductor van | |
| abirateron | 3A4 | 2D6 | |
| agomelatine | 1A2 | ||
| alfentanil | 3A4 | ||
| alprazolam | 3A4 | ||
| amiodaron | 3A4 | 2C9 2D6 3A4 | |
| amitriptyline | 2D6 | ||
| amlodipine | 3A4 | ||
| apixaban | 3A4 | ||
| aprepitant | 3A4 | 3A4 | 2C9 |
| aripiprazol | 2D6 3A4 | ||
| asenapine | 1A2 | 2D6 | |
| atazanavir | 3A4 | 3A4 | |
| atorvastatine | 3A4 | ||
| barnidipine | 3A4 | ||
| boceprevir | 3A4 | 3A4 | |
| bosentan | 2C9 3A4 | 3A4 | |
| bromocriptine | 3A4 | ||
| budesonide | 3A4 | ||
| buprenorfine | 3A4 | ||
| bupropion | 2D6 | ||
| cabazitaxel | 3A4 | ||
| carbamazepine | 3A4 | 1A2 2C9 3A4 | |
| carvedilol | 2D6 | ||
| celecoxib | 2C9 | ||
| chloorfenamine | 3A4 | 2D6 | |
| ciclesonide | 3A4 | ||
| ciclosporine | 3A4 | ||
| cimetidine | 1A2 2C19 2D6 3A4 | ||
| cinacalcet | 2D6 | ||
| ciprofloxacine | 1A2 | ||
| citalopram | 2D6 | ||
| clarithromycine | 3A4 | 3A4 | |
| clomipramine | 2D6 | ||
| clopidogrel | 2C19 | ||
| clozapine | 1A2 | ||
| codeïne | 2D6 | ||
| coffeïne | 1A2 | 1A2 | |
| colchicine | 3A4 | ||
| co-trimoxazol | 2C9 | ||
| cyclofosfamide | 3A4 | ||
| darunavir | 3A4 | 3A4 | |
| dasatinib | 3A4 | ||
| dexamethason | 3A4 | ||
| dextromethorfan | 2D6 | ||
| diazepam | 2C19 | ||
| diclofenac | 2C9 | ||
| difenhydramine | 2D6 | ||
| dihydro-ergotamine | 3A4 | ||
| dihydrocodeïne | 2D6 | ||
| diltiazem | 3A4 | 3A4 | |
| disopyramide | 3A4 | ||
| docetaxel | 3A4 | ||
| domperidon | 3A4 | ||
| donepezil | 3A4 | ||
| duloxetine | 1A2 2D6 | 2D6 | |
| dutasteride | 3A4 | ||
| efavirenz | 3A4 | ||
| eletriptan | 3A4 | ||
| eplerenon | 3A4 | ||
| ergotamine | 3A4 | ||
| erlotinib | 1A2 3A4 | ||
| erythromycine | 3A4 | 3A4 | |
| escitalopram | 2C19 | 2D6 | |
| esomeprazol | 2C19 | 2C19 | |
| ethinylestradiol | 3A4 | 1A2 | |
| felodipine | 3A4 | ||
| fenobarbital | 2C19 | 1A2 2C9 3A4 | |
| fentanyl | 3A4 | ||
| fenytoïne | 2C9 2C19 | 1A2 2C9 3A4 | |
| flecaïnide | 2D6 | ||
| fluconazol | 2C9 3A4 | ||
| fluoxetine | 2C9 2C19 2D6 3A4 | ||
| fluvastatine | 2C9 | 2C9 | |
| fluvoxamine | 1A2 2C9 2C19 2D6 3A4 | ||
| fosamprenavir | 3A4 | 3A4 | |
| frovatriptan | 1A2 | ||
| galantamine | 3A4 | ||
| gefitinib | 2D6 3A4 | ||
| glibenclamide | 2C9 | ||
| gliclazide | 2C9 | ||
| glimepiride | 2C9 | ||
| glipizide | 2C9 | ||
| gliquidon | 2C9 | ||
| haloperidol | 2D6 | 2D6 | |
| ibuprofen | 2C9 | ||
| ifosfamide | 3A4 | ||
| imatinib | 3A4 | 3A4 | |
| imipramine | 1A2 2D6 | ||
| indinavir | 3A4 | 3A4 | |
| irbesartan | 2C9 | ||
| irinotecan | 3A4 | ||
| isoniazide | 2C19 | ||
| isradipine | 3A4 | ||
| itraconazol | 3A4 | 3A4 | |
| ketoconazol | 3A4 | ||
| kinidine | 3A4 | 2D6 | |
| kinine | 3A4 | ||
| lacidipine | 3A4 | ||
| lansoprazol | 2C19 | 2C19 | |
| lapatinib | 3A4 | 3A4 | |
| lercanidipine | 3A4 | ||
| linagliptine | 3A4 | ||
| loperamide | 2C8 3A4 | ||
| lopinavir | 3A4 | 3A4 | |
| losartan | 2C9 | ||
| lumefantrine | 2D6 | ||
| maraviroc | 3A4 | ||
| melatonine | 1A2 | ||
| methadon | 3A4 | ||
| methylprednisolon | 3A4 | ||
| metoprolol | 2D6 | ||
| miconazol | 2C9 | ||
| midazolam | 3A4 | ||
| moclobemide | 2C19 | ||
| naproxen | 2C9 | ||
| nevirapine | 3A4 | ||
| nicardipine | 3A4 | 3A4 | |
| nifedipine | 3A4 | ||
| nilotinib | 3A4 | ||
| nimodipine | 3A4 | ||
| nisoldipine | 3A4 | ||
| nitrendipine | 3A4 | ||
| nortriptyline | 2D6 | ||
| oestrogenen | 3A4 | 1A2 | |
| oestroprogestagenen | 3A4 | 1A2 | |
| olanzapine | 1A2 | ||
| omeprazol | 2C19 | 2C19 | |
| paclitaxel | 2C8 | ||
| pantoprazol | 2C19 | ||
| paroxetine | 2D6 | 2D6 | |
| pazopanib | 3A4 | ||
| pimozide | 3A4 | ||
| pioglitazon | 2C8 | ||
| piperaquine | 3A4 | 3A4 | |
| piroxicam | 2C9 | ||
| pompelmoes | 3A4 | ||
| pomelo | 3A4 | ||
| posaconazol | 3A4 | ||
| primidon | 1A2 2C9 3A4 | ||
| progestagenen | 3A4 | ||
| proguanil | 2C19 | ||
| propafenon | 2D6 | 2D6 | |
| propranolol | 2D6 | ||
| protease-inhibitoren | 3A4 | 3A4 | |
| quetiapine | 3A4 | ||
| rabeprazol | 2C19 | ||
| rasagiline | 1A2 | ||
| repaglinide | 2C8 | ||
| rifabutine | 3A4 | 3A4 | |
| rifampicine | 1A2 2C9 2C19 2D6 3A4 | ||
| rilpivirine | 3A4 | ||
| risperidon | 2D6 | ||
| ritonavir | 3A4 | 2D6 3A4 | 2C9 |
| rivaroxaban | 3A4 | ||
| ropinirol | 1A2 | ||
| ropivacaïne | 1A2 | ||
| rosuvastatine | 2C9 | ||
| rufinamide | 3A4 | ||
| saquinavir | 3A4 | 3A4 | |
| saxagliptine | 3A4 | ||
| sertindol | 2D6 3A4 | ||
| sertraline | 2D6 | ||
| sigarettenrook | 1A2 | ||
| sildenafil | 3A4 | ||
| simvastatine | 3A4 | ||
| sint-janskruid | 3A4 | ||
| sirolimus | 3A4 | ||
| solifenacine | 3A4 | ||
| sorafenib | 3A4 | ||
| stiripentol | 1A2 2C19 | 1A2 2C19 2D6 3A4 | |
| sulfamethoxazol | 2C9 | ||
| sunitinib | 3A4 | ||
| tacrolimus | 3A4 | ||
| tadalafil | 3A4 | ||
| tamoxifen | 2D6 3A4 | ||
| telaprevir | 3A4 | 3A4 | |
| telithromycine | 3A4 | ||
| terbinafine | 2D6 | ||
| theofylline | 1A2 | ||
| ticagrelor | 3A4 | 3A4 | |
| ticlopidine | 1A2 2C19 | ||
| timolol | 2D6 | ||
| tipranavir | 3A4 | 3A4 | |
| tizanidine | 1A2 | ||
| tolterodine | 2D6 | ||
| topiramaat | 2C19 | ||
| torasemide | 2C9 | ||
| toremifen | 3A4 | ||
| tramadol | 2D6 | ||
| triamtereen | 1A2 | ||
| triazolam | 3A4 | ||
| trimethoprim | 2C8 | ||
| ulipristal | 3A4 | ||
| vardenafil | 3A4 | ||
| venlafaxine | 2D6 | ||
| verapamil | 3A4 | 3A4 | |
| vinblasine | 3A4 | ||
| vinca alkaloïden | 3A4 | ||
| vincristine | 3A4 | ||
| vindesine | 3A4 | ||
| vinorelbine | 3A4 | ||
| voriconazol | 2C9 2C19 3A4 | ||
| S-warfarine | 2C9 | ||
| zafirlukast | 2C9 | ||
| zolmitriptan | 1A2 | ||
| zolpidem | 3A4 | ||
| zoplicon | 3A4 |
| Substraten | Inhibitoren (↑ substraatplasmaconcentratie) |
Inductoren (↓ substraatplasmaconcentratie) |
| Aliskiren, apixaban, bilastine, ciclosporine, colchicine, dabigatran, daunorubicine, digoxine, doxorubicine, etoposide, everolimus, fexofenadine, indacaterol, linagliptine, loperamide, maraviroc, nilotinib, paclitaxel, posaconazol, rivaroxaban, saquinavir, saxagliptine, silodosine, sirolimus, sitagliptine, tacrolimus, telaprevir, ticagrelor, vinblastine, vincristine | Amiodaron, atorvastatine, azithromycine, ciclosporine, clarithromycine, diltiazem, erythromycine, itraconazol, ketoconazol, kinidine, lapatinib, nicardipine, propafenon, ritonavir, saquinavir, telaprevir, ticagrelor, verapamil | Carbamazepine, rifampicine, sint-janskruid, tipranavir |
Zwangerschap [zie Folia december 2006]
De veiligheid van een geneesmiddel tijdens de zwangerschap kan nooit worden gegarandeerd, maar slechts voor weinig geneesmiddelen is een nadelig effect op het ongeboren kind onomstotelijk bewezen, en voor de meeste geneesmiddelen is de situatie niet duidelijk. Zo zijn er voor sommige geneesmiddelen aanwijzingen voor een nadelig effect bij het dier, maar dit is niet altijd voorspellend voor de mens: vaak is er een speciës-specifiek effect en er worden bij dierproeven doses gebruikt die veel hoger zijn dan deze die bij de mens worden gebruikt, terwijl teratogeniteit en embryotoxiciteit vaak dosisgebonden zijn. In dit Repertorium wordt vermeld voor welke geneesmiddelen een schadelijk effect bewezen is of waarvoor er sterke vermoedens bestaan; het niet vermelden betekent zeker niet dat veiligheid bewezen is. Er wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met gegevens die betrekking hebben op de mens; de meest ernstige problemen worden in vetjes weergegeven (voor meer uitleg, zie Inl.2.).
Voor vele geneesmiddelen zijn anekdotisch afwijkingen bij de mens gerapporteerd, maar dit laat geen conclusies toe: 2 tot 4% van de levend geboren kinderen van moeders die tijdens de zwangerschap geen geneesmiddelen namen, vertonen immers afwijkingen. Daarenboven bestaat voor vele geneesmiddelen, vooral als ze recent geïntroduceerd zijn, geen of onvoldoende ervaring bij de mens. Het gebrek aan gegevens mag geen reden zijn tot gemakkelijk voorschrijven van geneesmiddelen bij de zwangere vrouw. Indien bij een zwangere vrouw een geneesmiddel werkelijk aangewezen is, moeten de voor- en nadelen voor moeder en kind worden afgewogen, en waar mogelijk zal men een geneesmiddel kiezen dat reeds sinds lange tijd en frequent is gebruikt tijdens de zwangerschap, en waarvoor geen suggesties voor schadelijkheid zijn naar voren gekomen. Het gaat bv. om paracetamol bij koorts of pijn, en om penicillines bij infecties. In de Samenvatting van de Kenmerken van het Product (SKP) wordt dikwijls een heel defensieve houding aangenomen (bv. “niet gebruiken bij gebrek aan voldoende gegevens”) en in de verschillende SKP's vindt men soms heel verschillende standpunten voor eenzelfde probleem (gaande van een absolute contra-indicatie tot gebruik “als de verwachte voordelen opwegen tegen het risico”).
Het ogenblik waarop het geneesmiddel wordt ingenomen tijdens de zwangerschap, is vaak zeer belangrijk.
Er is ook toenemende aandacht, zonder veel harde evidentie, voor de mogelijkheid van behavioural teratology, d.w.z. langetermijneffecten, vooral op de hersenen en het gedrag, bij gebruik van medicatie vroeg in de zwangerschap.
Borstvoeding [zie Folia december 2006]
Een aantal geneesmiddelen met intrinsieke orgaantoxiciteit zijn in principe gecontra-indiceerd tijdens de periode van borstvoeding: het gaat bv. om aminoglycosiden en cytostatica. Daarnaast zal men ook voorzichtig zijn met geneesmiddelen die een sederend effect hebben. De meeste geneesmiddelen kunnen echter tijdens de periode van borstvoeding worden gebruikt mits observatie van het kind; het is belangrijk, waar mogelijk, de borstvoeding voort te zetten. In elk geval zal een geneesmiddel slechts worden toegediend als er een duidelijke indicatie is. In dit Repertorium wordt vermeld voor welke geneesmiddelen een schadelijk effect bewezen is of waarvoor er sterke vermoedens bestaan; het niet vermelden betekent zeker niet dat veiligheid bewezen is. Er wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met gegevens die betrekking hebben op de mens; de meest ernstige problemen worden in vetjes weergegeven (zie Inl.2.). Een aantal geneesmiddelen bevorderen de lactatie (dopamine-antagonisten zoals antipsychotica, metoclopramide), andere inhiberen de lactatie (dopamine-agonisten zoals bromocriptine, cabergoline, pergolide).
De biologische beschikbaarheid van een geneesmiddel is de hoeveelheid (percent van de toegediende dosis) van het geneesmiddel die geresorbeerd wordt en de snelheid waarmee dit gebeurt. Wanneer de biologische beschikbaarheid van twee geneesmiddelen gelijk is, de snelheid van opname dezelfde is en een vergelijkbare piekplasmaconcentratie bereikt wordt, spreekt men van bio-equivalentie; bio-equivalentie betekent in principe klinische equivalentie [zie Folia februari 2010]. Deze noties zijn vooral belangrijk indien het gaat om orale toediening.
Veranderingen in de terugbetalingsmodaliteiten maken dat meer dan vroeger wordt overgeschakeld van de ene specialiteit naar de andere. Originele specialiteiten, generieken en kopieën met hetzelfde actieve bestanddeel en met dezelfde sterkte en farmaceutische vorm, zijn meestal zonder problemen onderling uitwisselbaar. Overschakelen kan echter bij patiënten op chronische medicatie tot verwarring leiden omwille van bijvoorbeeld de andere benaming, kleur of smaak. Bij de overschakeling van de ene specialiteit naar de andere, is het belangrijk dat de arts en de apotheker de patiënt goed informeren en erop toezien dat de behandeling correct gevolgd wordt. Er moet zeker vermeden worden dat patiënten eenzelfde geneesmiddel tweemaal nemen onder verschillende namen.
Er zijn situaties waarbij overschakelen van de ene specialiteit naar de andere beter niet gebeurt of zeer voorzichtig moet gebeuren, bv. wanneer het een geneesmiddel met een nauwe therapeutisch-toxische marge betreft (bv. anti-aritmica, anti-epileptica, immunosuppressiva). Ook hulpstoffen (bv. bepaalde kleurstoffen of bewaarmiddelen, aspartaam, gluten) kunnen een probleem stellen, zogenaamde “hulpstoffen met erkende werking”. De hulpstoffen worden steeds in de SKP vermeld, en het is bv. nuttig de aanwezigheid van kleurstoffen of bewaarmiddelen na te gaan bij voorschrijven voor patiënten met allergische antecedenten, de aanwezigheid van aspartaam bij patiënten met fenylketonurie, de aanwezigheid van gluten bij coeliakiepatiënten. In de prijsvergelijkingstabellen op onze website (kolom HEW) vindt men voor de antibiotica en de antimycotica ook de “hulpstoffen met erkende werking” (HEW). [Zie Folia februari 2006, februari 2010 en april 2012]
Sinds 1 oktober 2005 is het systeem van voorschrift op stofnaam (VOS) van toepassing. Voor een geldig VOS-voorschrift dient, naast de gebruikelijke administratieve gegevens, het volgende te worden vermeld: de stofnaam (“Algemene Internationale Benaming”) van het actieve bestanddeel of de actieve bestanddelen, de farmaceutische vorm of toedieningsweg, de sterkte, de dagdosis en de therapieduur in weken en/of dagen [zie Folia augustus 2010 en www.riziv.fgov.be].
Men kan steeds informatie vragen bij het Antigifcentrum (tel. 070 245 245, zie Bijlage 1. op het einde van het Repertorium). Het Antigifcentrum heeft ook een aantal antidota in voorraad (meer informatie via www.antigifcentrum.be).
Planmatige aanpak en behandeling zijn belangrijk.
- In de eerste plaats dient men de vitale functies te beoordelen en zo nodig de klassieke maatregelen voor ondersteuning te nemen. Gedaald bewustzijn door hypoglykemie, koolstofmonoxide of opiaten dient onmiddellijk opgespoord en adequaat behandeld te worden. Dit geldt eveneens voor epileptische insulten uitgelokt door intoxicaties.
- Vervolgens moet de ernst van de intoxicatie worden ingeschat, steunend op de (hetero-) anamnese, waarbij informatie verzameld wordt in verband met de aard van het ingenomen geneesmiddel, de veronderstelde ingenomen hoeveelheid, het tijdstip van de inname en de eventuele gelijktijdige inname van alcohol. Er dient echter benadrukt dat de anamnese onbetrouwbare gegevens kan opleveren, met onderschatting van de ernst van de toestand. Ook gegevens uit klinisch onderzoek zijn belangrijk. Men dient echter voor ogen te houden dat de afwezigheid van symptomen misleidend geruststellend kan zijn (bv. bij paracetamolintoxicatie). In geval van intentionele intoxicatie mogen dringende psychiatrische evaluatie en hulpverlening niet vergeten worden.
- Met uitzondering van glucose en glucagon bij overdosering van hypoglykemiërende geneesmiddelen, zijn specifieke antidota gewoonlijk niet geschikt voor gebruik in de eerste lijn. Een ziekenhuis dat patiënten met een acute intoxicatie opvangt, dient uiteraard een reeks antidota in voorraad te hebben. Het samenstellen van deze lijst gebeurt op basis van klassieke werken i.v.m. klinische toxicologie, en best in overleg met het Antigifcentrum.
- In verband met technieken om gastro-intestinale resorptie tegen te gaan, zijn er geen gerandomiseerde, gecontroleerde studies beschikbaar, en werden op basis van consensus van experten de volgende richtlijnen opgesteld.
Het is niet gemakkelijk uit te maken wat de verantwoorde samenstelling van een urgentietrousse is. De keuze berust dan ook voor een groot deel op persoonlijke ervaring. Daarbij zullen de eisen voor een arts met een praktijk dicht bij een ziekenhuis met een uitgebouwde spoedgevallendienst en een mobiele urgentiegroep (MUG) anders zijn dan voor een arts op grote afstand van een dergelijk ziekenhuis. Ook moet worden gewezen op de eisen in verband met de bewaring van geneesmiddelen en op de noodzaak de vervaldata te respecteren.
In tabel Ie wordt een voorstel van samenstelling van een urgentietrousse voor de huisarts gedaan. De geneesmiddelen worden opgesomd zonder vermelding van de posologie. De lijst vermeldt telkens één product uit de soms talrijke mogelijkheden; dit sluit uiteraard andere keuzes niet uit. Vanzelfsprekend is het nuttig naalden en spuiten, een perifere katheter en een voorzetkamer ter beschikking te hebben; in sommige gevallen kunnen ook een infuusnaald en een infuusvloeistof nuttig zijn.
Domus Medica heeft aanbevelingen gepubliceerd in verband met het gebruik van de urgentietrousse [“Aanbeveling voor goede medische praktijkvoering. Gebruik van medicatie bij urgenties”, verschenen in Huisarts Nu van november 2008 [2008;37:472-504]; het document is te raadplegen via www.domusmedica.be, klik “Aanbevelingen” in de linkerkolom.
Tabel Ie. Geneesmiddelen in de urgentietrousse
| Analgetica | - paracetamol (oraal) - morfine amp. 10 mg/1 ml (s.c. - i.m. - i.v) |
| Anti-aggregans | acetylsalicylzuur ongeveer 300 mg in oplosbare vorm |
| Anti-anginosum | isosorbidedinitraat compr. (sublinguaal) 5 mg |
| Anti-emeticum | metoclopramide amp. 10 mg/2 ml (i.m. - i.v.) |
| Anti-epileptica | - diazepam amp. 10 mg/2 ml (i.v. of intrarectaal met behulp van rectiole) - lorazepam amp. 4 mg/1 ml (i.v.) |
| Antihistaminicum H1 | promethazine amp. 50 mg/2 ml (i.m.) |
| Antipsychoticum | haloperidol amp. 5 mg/1 ml (i.m.) |
| Anxiolyticum | benzodiazepine met intermediaire werkingsduur (oraal) |
| Bronchodilatoren | - salbutamol doseeraërosol - ipratropium doseeraërosol |
| Corticosteroïden | - methylprednisolon amp. 125 mg/2 ml (i.m. - i.v.) (bij voorkeur zonder bewaarmiddel) en compr. 32 mg (oraal) - betamethason druppels 0,5 mg/ml (oraal) |
| Diureticum | furosemide amp. 20 mg/2 ml (i.m. - i.v.) |
| Hyperglykem. middelen | - glucagon amp. 1 mg/1 ml (i.m. - i.v. - s.c.) - glucose amp. 3 of 5 g/10 ml (i.v.) |
| NSAID | diclofenac amp. 75 mg/3 ml (i.m.) |
| Oxytocicum | oxytocine amp. 10 E/1 ml (i.m. of traag i.v.) |
| Sympathicomimeticum | epinefrine amp. 1 mg/1 ml (1/1.000) (i.m.) |
Geneesmiddelen kunnen allergische en niet-allergische anafylactische reacties uitlokken. Het gaat o.a. om ACE-inhibitoren en sartanen, acetylsalicylzuur, cefalosporines, chemotherapeutica, contraststoffen, lokale anesthetica, niet-steroïdale anti-inflammatoire middelen, penicillines. Kruisreacties zijn mogelijk, bv. tussen penicillines en cefalosporines. β-blokkers kunnen het verloop van een anafylactische reactie verergeren en het antwoord op epinefrine tegengaan. Wanneer een anafylactische reactie optreedt (vaak met roodheid, urticaria, jeuk, ...), moet de patiënt van dichtbij worden gevolgd om na te gaan of de situatie niet levensbedreigend wordt.
Epinefrine (adrenaline) vormt de hoeksteen van de behandeling bij een ernstige anafylactische reactie (ademhalingsmoeilijkheden of hypotensie). De intramusculaire toediening heeft de voorkeur boven de subcutane, gezien de betere resorptie in geval van hypotensie. Intraveneuze toediening wordt slechts toegepast bij collaps, liefst door een gespecialiseerd team; hierbij moet de oplossing epinefrine eerst verdund worden (1/10.000) en de injectie moet traag gebeuren, liefst onder cardiale monitoring. Epinefrine is beschikbaar in ampullen van 1 ml met 0,4 mg, 0,8 mg of 1 mg epinefrine. Er bestaan ook auto-injectoren met epinefrine voor intramusculaire toediening (Epipen® 0,15 mg/dosis of 0,3 mg/dosis, Jext® 0,15 mg/0,15 ml of 0,3 mg/0,3 ml, zie 1.9. Hypotensie), die bv. nuttig kan zijn voor personen die weten dat ze overgevoelig zijn voor bijen-, hommel- of wespensteken. De patiënten moeten wel instructies krijgen over hoeveel en hoe toe te passen [zie Folia februari 2013].
Dosis epinefrine (in principe intramusculair): 0,01 mg/kg (maximum 0,5 mg) van een 1/1.000 oplossing (d.w.z. 1 mg/ml-oplossing). Dit stemt overeen met de volgende leeftijdsspecifieke doseringen:
| < 1 jaar | 0,05 - 0,1 ml |
| 1 - 2 jaar (± 10 kg) | 0,1 ml |
| 2- 3 jaar (± 15 kg) | 0,15 ml |
| 4- 6 jaar (± 20 kg) | 0,2 ml |
| 7- 10 jaar (± 30 kg) | 0,3 ml |
| 11 - 12 jaar (± 40 kg) | 0,4 ml |
| 13 jaar en ouder | 0,4 - 0,5 ml |
De dosis mag na 5 minuten herhaald worden indien er geen klinische verbetering optreedt.
Ongewenste effecten zoals myocardischemie, hartritmestoornissen en hypertensieve crisis zijn mogelijk, maar zijn bij intramusculaire toediening van de correcte dosis zeldzaam.
Wanneer urticaria, oedeem en/of jeuk aanwezig zijn, wordt meestal ook een H1-antihistaminicum parenteraal of oraal toegediend. Dit heeft echter weinig effect op de hypotensie en het bronchospasme. In deze geneesmiddelenklasse zijn in België ampullen met promethazine voor intramusculair gebruik (niet intraveneus toedienen wegens risico van hypotensie) beschikbaar (zie 12.4.1.).
Een corticosteroïd intraveneus of, indien dit moeilijk is, intramusculair, bv. hydrocortison (250 mg) of methylprednisolon (125 mg), bij voorkeur zonder bewaarmiddel, laat toe de duur van de anafylactische reactie te verkorten en een latere verslechtering te vermijden. Het maximaal effect treedt wel slechts na enkele uren op. Wanneer de situatie minder ernstig is en de symptomen beperkt blijven tot de huid, is toediening van epinefrine niet noodzakelijk, en volstaat vaak orale of intramusculaire toediening van een corticosteroïd, eventueel in associatie met een H1-antihistaminicum oraal of parenteraal.
β2-mimetica via inhalatie kunnen gebruikt worden in geval van bronchospasme.
Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie (BCFI)
Algemene Pharmaceutische Bond (APB)
Antigifcentrum
Belgische Commissie voor de Coördinatie van het Antibioticabeleid (Belgian Antibiotic Policy Coordination Committee of BAPCOC)
Centrum voor Geneesmiddelenbewaking
Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten (FAGG)
Hoge Gezondheidsraad (HGR)
Instituut voor Tropische Geneeskunde - Reisadvies
Pharma.be
Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (RIZIV)
Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid of WIV (vroeger Pasteur Instituut)