Ongewenste effecten
Ongewenste effecten van geneesmiddelen zijn dikwijls weinig ernstig, maar zeer ernstige, soms
levensbedreigende reacties zijn mogelijk. Recent is er ook aandacht voor een rol van genetische
factoren in het ontstaan van ongewenste effecten ten gevolge van bepaalde geneesmiddelen [zie Folia februari 2009]. Sommige ongewenste effecten zijn eigen aan een
bepaalde geneesmiddelenklasse, andere zijn eigen aan een bepaalde substantie. In dit Repertorium
worden enkel de belangrijkste ongewenste effecten vermeld; voor meer details moeten de
wetenschappelijke bijsluiters (nu "Samenvatting van de Kenmerken van het Product” of SKP
genoemd) of gespecialiseerde werken geraadpleegd worden.
QT-verlenging
In verband met ongewenste effecten is er veel aandacht voor de mogelijkheid van QT-verlenging,
met risico van "torsades de pointes” door geneesmiddelen. Voor bepaalde geneesmiddelen is het
risico van QT-verlenging goed bekend: anti-aritmica van klassen I en III (zie 1.3.), cisapride (zie 2.4.1.2.), methadon (zie 5.4.), bepaalde antipsychotica (zie 6.2.), erythromycine (vooral bij snelle intraveneuze toediening), telithromycine en
mogelijk andere macroliden (zie 8.1.2.), levofloxacine en
moxifloxacine (zie 8.1.6.), amfotericine B (zie 8.2.1.), lumefantrine (zie 8.3.2.), pentamidine (zie 8.3.3.2.), sibutramine (zie 14.1.2.). Enkele jaren geleden zijn de H1-antihistaminica
terfenadine en astemizol teruggetrokken van de markt omwille van problemen van QT-verlenging,
en een dergelijk risico kan niet uitgesloten worden voor bepaalde andere antihistaminica (zie 6.8.). Combinatie van meerdere geneesmiddelen die het
QT-interval verlengen, verhoogt het risico nog meer. Ook bij associatie van een geneesmiddel met
risico van QT-verlenging, en een geneesmiddel dat diens metabolisme inhibeert, kan het risico
toenemen. Algemene risicofactoren voor het optreden van QT-verlenging zijn: leeftijd, vrouwelijk
geslacht, hartlijden, bradycardie, elektrolytenstoornissen (vooral hypokaliëmie en
hypomagnesiëmie), congenitale QT-verlenging, gebruik van diuretica, overdosering.
Geneesmiddelenbewaking
Geneesmiddelenbewaking, d.w.z. het opsporen van ongewenste effecten van geneesmiddelen nadat
deze op de markt zijn gebracht, is noodzakelijk omdat het risicoprofiel van een geneesmiddel op het
ogenblik van commercialisering nog onvoldoende bekend is. Systemen gebaseerd op spontane
melding van ongewenste effecten, worden beschouwd als een belangrijke methode om in een vroeg
stadium signalen van ongewenste effecten van geneesmiddelen te genereren. Ongewenste effecten
waarvoor een melding aan een geneesmiddelenbewakingscentrum zeer nuttig is, zijn: vermoede
ongewenste effecten die nergens vermeld worden (bv. noch in de bijsluiter, noch in handboeken),
vermoede ongewenste effecten van recent geïntroduceerde geneesmiddelen (zie hieronder in
verband met het symbool "zwarte driehoek”), ernstige, vermoede ongewenste effecten
(levensbedreigende reacties, reacties die leiden tot hospitalisatie of met irreversibele gevolgen (bv.
invaliditeit, congenitale afwijkingen), en vermoede ongewenste effecten bij kinderen. [Zie
Folia oktober 2006]
In België wordt een spontaan-meldingssysteem beheerd door het Centrum voor
Geneesmiddelenbewaking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en
Gezondheidsproducten (FAGG). Artsen, apothekers en tandartsen kunnen er door middel van de
gele fiches vermoede ongewenste effecten van geneesmiddelen melden. De gele fiches worden met
dit Repertorium verspreid, en worden ook regelmatig met de Folia Pharmacotherapeutica
meegestuurd; ze kunnen daarenboven worden bekomen bij het Centrum voor
Geneesmiddelenbewaking ( zie Nuttige adressen). Er is ook een elektronische versie
van de gele fiche beschikbaar via www.fagg.be: klik achtereenvolgens "MENSELIJK gebruik”,
"Gegevens verzamelen, evalueren en maatregelen nemen” (rubriek "Geneesmiddelenbewaking”); de
elektronische versie is ook beschikbaar via www.bcfi.be (klik op het geel icoon ter hoogte van de
titel "Geneesmiddelenbewaking” in de Folia-rubriek op de homepage); deze gele fiche kan
elektronisch ingevuld worden en als bijlage per e-mail (adversedrugreactions@fagg.be)
teruggestuurd worden naar het Centrum voor Geneesmiddelenbewaking. Het Centrum voor
Geneesmiddelenbewaking geeft aan elke melder feedback door bv. het toesturen van een overzicht
van literatuurgegevens i.v.m. het vermoede of bewezen ongewenst effect. Ook verschijnt in de Folia
Pharmacotherapeutica een rubriek "Medegedeeld door het Centrum voor
Geneesmiddelenbewaking".
Om meer aandacht te vestigen op de specialiteiten met een nieuw actief bestanddeel wordt bij deze
specialiteiten in het Repertorium het symbool "zwarte driehoek” (▾) getoond gedurende de eerste
drie jaar na hun commercialisering. Dit symbool vestigt de aandacht op het feit dat de ervaring met
deze middelen in de dagelijkse praktijk nog gering is, en dat het Centrum voor
Geneesmiddelenbewaking het middel van nabij volgt; het is dan ook een oproep om vermoede
ongewenste effecten voor deze middelen zeker te rapporteren, zelfs bij twijfel over een causaal
verband [zie ook Folia december 2007]. Een maandelijks bijgewerkte lijst
van geneesmiddelen waarvoor het symbool ▾ wordt getoond, is te vinden op de website van het
FAGG: www.fagg.be, klik achtereenvolgens "MENSELIJK gebruik”, "Gegevens verzamelen,
evalueren en maatregelen nemen” (rubriek "Geneesmiddelenbewaking”). Deze lijst wordt ook
maandelijks in de rubriek "Goed om te weten” op onze website gepubliceerd.
Behandeling van anafylactische reacties
Geneesmiddelen kunnen anafylactische of anafylactoïde reacties uitlokken. Het gaat bv. om
acetylsalicylzuur, ACE-inhibitoren en sartanen, penicillines, cefalosporines, contraststoffen, lokale
anesthetica, niet-steroïdale anti-inflammatoire middelen. Kruisreacties zijn mogelijk, bv. tussen
penicillines en cefalosporines. β-blokkers kunnen het verloop van een anafylactische reactie
verergeren en het antwoord op epinefrine tegengaan. Wanneer een anafylactische reactie optreedt
(vaak met roodheid, urticaria, jeuk...), moet de patiënt van dichtbij worden gevolgd om na te gaan
of de situatie niet levensbedreigend wordt.
Bij een ernstige anafylactische reactie (ademhalingsmoeilijkheden of hypotensie) is epinefrine (adrenaline) de hoeksteen van de behandeling. De intramusculaire toediening heeft de
voorkeur boven de subcutane gezien de betere resorptie in geval van hypotensie. Intraveneuze
toediening wordt slechts toegepast bij collaps, liefst door een gespecialiseerd team; hierbij moet de
oplossing epinefrine eerst verdund worden (1/10.000) en de injectie moet traag gebeuren, liefst
onder cardiale monitoring. Epinefrine-ampullen zijn niet beschikbaar als specialiteit, maar wel als
geprefabriceerd geneesmiddel (ampullen van 1 ml met 1 mg of 0,5 mg epinefrine). Er bestaat ook
een auto-injector met epinefrine (Epipen® 0,15 mg/dosis of 0,3 mg/dosis, zie 1.6. Geneesmiddelen bij hypotensie) voor intramusculaire toediening, die bv. nuttig kan
zijn voor personen die weten dat ze overgevoelig zijn voor bijen- of wespensteken. De patiënten
moeten wel instructies krijgen over hoeveel en hoe toe te passen, en over de mogelijkheid van
desensibilisatie (zie 14.5.).
De dosis epinefrine (in principe intramusculair) is
- voor kinderen < 6 jaar: 0,15 ml van een waterige oplossing 1/1.000 (1 mg/ml);
- voor kinderen van 6 tot en met 11 jaar: 0,30 ml van een waterige oplossing 1/1.000 (1
mg/ml);
- voor kinderen vanaf 12 jaar en volwassenen: 0,50 ml van een waterige oplossing 1/1.000
(1 mg/ml) (indien kleine gestalte: 0,30 ml).
Wanneer geen verbetering optreedt, kan na 5 minuten een tweede dosis intramusculair worden
toegediend. Ongewenste effecten zoals myocardischemie, hartritmestoornissen en hypertensieve
crisis zijn mogelijk, maar zijn bij intramusculaire toediening van de correcte dosis zeldzaam.
Ook wordt meestal een H1-antihistaminicum toegediend,
parenteraal of oraal, wanneer urticaria, oedeem en/of jeuk aanwezig zijn; er is weinig effect op de
hypotensie en het bronchospasme. In deze geneesmiddelenklasse zijn in België ampullen met
promethazine voor intramusculair gebruik (niet intraveneus toedienen wegens risico van hypotensie)
beschikbaar (zie 6.8.).
Een corticosteroïd, intraveneus of, indien dit moeilijk is, intramusculair, bv.
hydrocortison (250 mg) of methylprednisolon (125 mg), bij voorkeur zonder bewaarmiddel, laat
toe de duur van de anafylactische reactie te verkorten en een latere verslechtering te vermijden. Het
effect treedt wel slechts na enkele uren op. Wanneer de situatie minder ernstig is en de symptomen
beperkt blijven tot de huid, is toediening van epinefrine niet noodzakelijk, en volstaat vaak orale
toediening (of intramusculaire inspuiting) van een corticosteroïd, eventueel in associatie met een H1-antihistaminicum oraal of parenteraal.
β2-mimetica via inhalatie kunnen gebruikt worden in geval
van bronchospasme.
|