Ongewenste effecten
Ongewenste effecten van geneesmiddelen zijn dikwijls weinig ernstig, maar zeer ernstige, soms
levensbedreigende reacties zijn mogelijk. Recent is er ook aandacht voor de rol van genetische
factoren in het ontstaan van ongewenste effecten ten gevolge van bepaalde geneesmiddelen [
zie Folia februari 2009]. Sommige ongewenste effecten zijn eigen aan een
bepaalde geneesmiddelenklasse, andere zijn eigen aan een bepaalde substantie. In dit Repertorium
worden enkel de belangrijkste ongewenste effecten vermeld; voor meer details moeten de
"Samenvatting van de Kenmerken van het Product” (SKP, de vroegere wetenschappelijke
bijsluiters) of gespecialiseerde werken geraadpleegd worden.
Geneesmiddelenbewaking
Geneesmiddelenbewaking, d.w.z. het opsporen van ongewenste effecten van geneesmiddelen nadat
deze op de markt zijn gebracht, is noodzakelijk omdat het risicoprofiel van een geneesmiddel op het
ogenblik van commercialisering meestal nog onvoldoende bekend is. Systemen gebaseerd op
spontane melding van ongewenste effecten worden beschouwd als een belangrijke methode om in
een vroeg stadium signalen van ongewenste effecten van geneesmiddelen te genereren. Het melden
van volgende ongewenste effecten aan een geneesmiddelenbewakingscentrum is zeer nuttig:
vermoede ongewenste effecten die nergens vermeld worden (bv. noch in de bijsluiter, noch in
handboeken), vermoede ongewenste effecten van recent geïntroduceerde geneesmiddelen (zie
hieronder in verband met het symbool "zwarte driehoek” ▾), ernstige, vermoede ongewenste
effecten (levensbedreigende reacties, reacties die leiden tot hospitalisatie of met irreversibele
gevolgen, (bv. invaliditeit, congenitale afwijkingen), en vermoede ongewenste effecten bij kinderen.
[Zie Folia oktober 2006]
In België wordt een spontaan-meldingssysteem beheerd door het Centrum voor
Geneesmiddelenbewaking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en
Gezondheidsproducten (FAGG). Artsen, apothekers en tandartsen kunnen er door middel van de
"gele fiches” vermoede ongewenste effecten van geneesmiddelen melden. De "gele fiches” worden
met dit Repertorium verspreid, en worden ook regelmatig met de Folia Pharmacotherapeutica
meegestuurd; ze kunnen daarenboven worden bekomen bij het Centrum voor
Geneesmiddelenbewaking ( zie Nuttige adressen). Er is ook een elektronische versie
van de "gele fiche” beschikbaar via www.fagg.be: klik rechts op "Het melden
van bijwerkingen-"gele” fiches”; de elektronische versie is ook beschikbaar via www.bcfi.be (klik
op het geel icoon ter hoogte van de titel "Geneesmiddelenbewaking” in de Folia-rubriek op de
homepage); deze gele fiche kan elektronisch ingevuld worden en als bijlage per e-mail
(adversedrugreactions@fagg.be) gestuurd worden naar het Centrum voor
Geneesmiddelenbewaking. Het Centrum voor Geneesmiddelenbewaking geeft aan elke melder
feedback door bv. het toesturen van een overzicht van literatuurgegevens i.v.m. het vermoede of
bewezen ongewenst effect. Ook verschijnt in de Folia Pharmacotherapeutica telkens een rubriek
"Medegedeeld door het Centrum voor Geneesmiddelenbewaking".
Om meer aandacht te vestigen op de specialiteiten met een nieuw actief bestanddeel wordt bij deze
specialiteiten in het Repertorium het symbool "zwarte driehoek” (▾) getoond gedurende de eerste
drie jaar na hun commercialisering. Dit symbool vestigt de aandacht op het feit dat de ervaring met
deze middelen in de dagelijkse praktijk nog gering is, en dat het Centrum voor
Geneesmiddelenbewaking het middel van nabij volgt; het is dan ook een oproep om vermoede
ongewenste effecten voor deze middelen zeker te rapporteren, zelfs bij twijfel over een causaal
verband [zie ook Folia december 2007]. Een maandelijks bijgewerkte lijst
van geneesmiddelen waarvoor het symbool ▾ wordt getoond, is te vinden op de website van het
FAGG: www.fagg.be, klik klik rechts op "Het melden van
bijwerkingen-"gele” fiches”. Deze lijst wordt ook maandelijks in de rubriek "Goed om te weten” op
onze website gepubliceerd.
QT-verlenging
In verband met ongewenste effecten is er veel aandacht voor de mogelijkheid van QT-verlenging
door geneesmiddelen, met risico van "torsades de pointes”. Voor bepaalde geneesmiddelen is het
risico van QT-verlenging goed bekend: bepaalde anti-aritmica (zie 1.3.), cisapride (zie 2.4.1.2.), methadon (zie 5.4.), bepaalde antipsychotica (zie 6.2.), de macroliden erythromycine (vooral bij snelle intraveneuze toediening) en
telithromycine, en mogelijk andere macroliden (zie 8.1.2.),
levofloxacine en moxifloxacine (zie 8.1.6.), amfotericine B (zie 8.2.1.), lumefantrine (zie 8.3.2.),
pentamidine (zie 8.3.3.2.), sibutramine (zie 14.1.2.). Enkele jaren geleden zijn de H1-antihistaminica
terfenadine en astemizol teruggetrokken van de markt omwille van problemen van QT-verlenging,
en een dergelijk risico kan niet uitgesloten worden voor bepaalde andere antihistaminica (zie 6.8.). Combinatie van meerdere geneesmiddelen die het
QT-interval kunnen verlengen, verhoogt het risico nog meer. Ook bij associatie van een
geneesmiddel met risico van QT-verlenging, met een geneesmiddel dat diens metabolisme inhibeert,
kan het risico toenemen. Algemene risicofactoren voor het optreden van QT-verlenging zijn: leeftijd,
vrouwelijk geslacht, hartlijden, bradycardie, elektrolytenstoornissen (vooral hypokaliëmie en
hypomagnesiëmie), congenitale QT-verlenging, gebruik van diuretica, overdosering.
Anticholinerge ongewenste effecten
Volgende geneesmiddelen worden in dit Repertorium als "anticholinergica” aangeduid, gezien hun
effect berust op dit anticholinerg effect: butylhyoscinebromide (2.2.); anticholinergica gebruikt bij
blaasfunctiestoornissen (3.1.); anticholinergica gebruikt bij astma en COPD (4.1.2.);
anticholinergica gebruikt bij de ziekte van Parkinson (6.5.5.); bepaalde mydriatica en cycloplegica
(12.2.4.); atropine (14.15).
Heel wat geneesmiddelen hebben anticholinerge eigenschappen, maar worden niet omwille van deze
eigenschappen gebruikt. Het gaat vooral om volgende geneesmiddelen of klassen: disopyramide
(1.3.3.3.), nefopam (5.1.4.), bepaalde antipsychotica (vooral fenothiazines, clozapine, haloperidol,
olanzapine, pimozide, risperidon) (6.2.), bepaalde antidepressiva (vooral TCA’s en aanverwanten,
maar ook SSRI’s, MAO-inhibitoren) (6.3.), carbamazepine en oxcarbazepine (6.6.2.1.), bepaalde
antihistaminica (vooral promethazine, difenhydramine, hydroxyzine, chloorfenamine, cetirizine,
loratadine, meclozine) (6.8.), baclofeen en tizanidine (14.4.).
Centrale ongewenste effecten van anticholinergica zijn vooral duizeligheid, zelden delirium,
met of zonder agitatie. Perifere ongewenste effecten zijn vooral droge mond en ogen,
verminderde zweetsecretie, nausea en obstipatie, mydriase en accomodatiestoornissen,
urineretentie, zelden tachycardie en ritmestoornissen.
De voornaamste contra-indicaties van middelen met anticholinerge eigenschappen zijn:
gesloten-hoekglaucoom, gastro-oesofageale reflux, pylorusstenose, intestinale atonie, paralytische
ileus, ernstige colitis ulcerosa, myasthenia gravis (tenzij om cholinerge effecten van
cholinesterase-inhibitoren tegen te gaan).
Voorzichtigheid is geboden bij kinderen en ouderen (gevoeliger voor de ongewenste effecten;
verlagen van de dosis kan aangewezen zijn), prostaathypertrofie, diarree, koorts, tachycardie (bv.
door thyreotoxicose, hartfalen), hypertensie en acuut myocardinfarct.
Serotoninesyndroom
Het serotoninesyndroom wordt gekenmerkt door hyperthermie, hyperreflexie, agitatie en
myoclonieën; zelden zijn er convulsies en ventriculaire tachy-aritmie, met soms fatale afloop. Dit
syndroom wordt vooral gezien bij patiënten die ofwel een SSRI ofwel een MAO-inhibitor nemen,
samen met minstens één ander serotoninerg geneesmiddel, zoals: dextromethorfan (4.2.1.),
bepaalde narcotische analgetica (hydromorfon, pethidine, tramadol) (5.4.), buspiron (6.1.4.),
bepaalde antipsychotica (6.2.), vele antidepressiva (vooral de SSRI’s en de MAO-inhibitoren maar
ook sommige TCA’s en aanverwanten zoals clomipramine, duloxetine, imipramine, trazodon en
venlafaxine), lithium, Sint-Janskruid (6.3.), de triptanen en de ergotderivaten (6.7.1.), linezolide
(8.1.5.2.), sibutramine (14.1.2.).
Een serotoninesyndroom treedt zelden op indien slechts één serotoninerg geneesmiddel wordt
gebruikt, tenzij bij overdosering van dit middel.
Hyperkaliëmie [
zie Folia april 2010]
Bij normale nierfunctie wordt overtollig kalium gemakkelijk uitgescheiden. Hyperkaliëmie
(kaliumserumconcentratie > 5,5 mmol/l) wordt meestal veroorzaakt door een combinatie van
factoren, met als belangrijkste: nierinsufficiëntie (let op bij ouderen en diabetici) en inname van
bepaalde geneesmiddelen.
Geneesmiddelen die hyperkaliëmie kunnen veroorzaken, zijn onder andere: ACE-inhibitoren
(1.4.3.), sartanen (1.4.4.) en renine-inhibitoren (1.4.5.), kaliumsparende diuretica (1.5.2.),
kaliumsupplementen (1.5.), heparines (1.9.2.), niet-steroïdale anti-inflammatoire middelen (5.2.),
drospirenon (7.3.6.), erythropoëtines (7.5.4.), trimethoprim (8.1.7.), ciclosporine (9.3.2.3.),
tacrolimus (9.3.2.4.), antilymfocytaire immunoglobulines (9.3.2.5.).
Al deze middelen zijn gecontra-indiceerd bij patiënten met gekende hyperkaliëmie.
Kaliumsupplementen en kaliumsparende diuretica zijn gecontra-indiceerd bij patiënten met
nierinsufficiëntie. Gelijktijdig gebruik van meerdere van bovenstaande middelen (bv. lage doses
spironolacton samen met ACE-inhibitoren bij hartfalen) dient voorzichtig te gebeuren. Gelijktijdig
gebruik van kaliumsupplementen en kaliumsparende diuretica is te mijden.
Bij duidelijke hyperkaliëmie zijn hartbewaking en eventueel andere maatregelen in het ziekenhuis
aangewezen.
Geneesmiddelen die convulsies kunnen uitlokken
Geneesmiddelen die convulsies kunnen uitlokken, zeker wanneer ze onderling worden
gecombineerd, zijn onder andere: theofylline (4.1.6.), tramadol (5.4.), antipsychotica (6.2.),
antidepressiva (TCA’s en aanverwanten, SSRI’s) (6.3.), centrale stimulantia (6.4.), chinolonen
(8.1.6.), bupropion (14.3.2.). Voorzichtigheid is geboden bij patiënten met antecedenten van
convulsies.
Behandeling van anafylactische reacties
Geneesmiddelen kunnen anafylactische of anafylactoïde reacties uitlokken. Het gaat o.a. om
acetylsalicylzuur, ACE-inhibitoren en sartanen, penicillines, cefalosporines, contraststoffen, lokale
anesthetica, niet-steroïdale anti-inflammatoire middelen. Kruisreacties zijn mogelijk, bv. tussen
penicillines en cefalosporines. β-blokkers kunnen het verloop van een anafylactische reactie
verergeren en het antwoord op epinefrine tegengaan. Wanneer een anafylactische reactie optreedt
(vaak met roodheid, urticaria, jeuk...), moet de patiënt van dichtbij worden gevolgd om na te gaan
of de situatie niet levensbedreigend wordt.
Bij een ernstige anafylactische reactie (ademhalingsmoeilijkheden of hypotensie) is epinefrine (adrenaline) de hoeksteen van de behandeling. De intramusculaire toediening heeft de
voorkeur boven de subcutane, gezien de betere resorptie in geval van hypotensie. Intraveneuze
toediening wordt slechts toegepast bij collaps, liefst door een gespecialiseerd team; hierbij moet de
oplossing epinefrine eerst verdund worden (1/10.000) en de injectie moet traag gebeuren, liefst
onder cardiale monitoring. Epinefrine is beschikbaar in ampullen van 1 ml met 0,4 mg, 0,8 mg of 1
mg epinefrine. Er bestaat ook een auto-injector met epinefrine (Epipen® 0,15 mg/dosis of 0,3
mg/dosis, zie 1.6. Geneesmiddelen bij hypotensie) voor
intramusculaire toediening, die bv. nuttig kan zijn voor personen die weten dat ze overgevoelig zijn
voor bijen-, hommel- of wespensteken. De patiënten moeten wel instructies krijgen over hoeveel en
hoe toe te passen, en over de mogelijkheid van desensibilisatie (zie 14.5.).
De dosis epinefrine (in principe intramusculair) is
- voor kinderen jonger dan 6 jaar: 0,15 mg, wat overeenkomt met 0,15 ml van een oplossing
die 1 mg/ml epinefrine bevat (1/1.000);
- voor kinderen van 6 tot en met 11 jaar: 0,3 mg, wat overeenkomt met 0,3 ml van een
oplossing die 1 mg/ml epinefrine bevat (1/1.000);
- voor kinderen vanaf 12 jaar en volwassenen: 0,5 mg, wat overeenkomt met 0,5 ml van een
oplossing die 1 mg/ml epinefrine bevat (1/1.000).
Wanneer geen verbetering optreedt na 5 minuten, kan een tweede dosis intramusculair worden
toegediend. Ongewenste effecten zoals myocardischemie, hartritmestoornissen en hypertensieve
crisis zijn mogelijk, maar zijn bij intramusculaire toediening van de correcte dosis zeldzaam.
Ook wordt meestal een H1-antihistaminicum toegediend,
parenteraal of oraal, wanneer urticaria, oedeem en/of jeuk aanwezig zijn; er is weinig effect op de
hypotensie en het bronchospasme. In deze geneesmiddelenklasse zijn in België ampullen met
promethazine voor intramusculair gebruik (niet intraveneus toedienen wegens risico van hypotensie)
beschikbaar (zie 6.8.).
Een corticosteroïd, intraveneus of, indien dit moeilijk is, intramusculair, bv.
hydrocortison (250 mg) of methylprednisolon (125 mg), bij voorkeur zonder bewaarmiddel, laat
toe de duur van de anafylactische reactie te verkorten en een latere verslechtering te vermijden. Het
effect treedt wel slechts na enkele uren op. Wanneer de situatie minder ernstig is en de symptomen
beperkt blijven tot de huid, is toediening van epinefrine niet noodzakelijk, en volstaat vaak orale
toediening (of intramusculaire inspuiting) van een corticosteroïd, eventueel in associatie met een H1-antihistaminicum oraal of parenteraal.
β2-mimetica via inhalatie kunnen gebruikt worden in geval
van bronchospasme.
|