Inhoudstafel
 
  Inleiding
1. Cardiovasculair stelsel
1.3.  Hartfalen
1.3.1.   Digitalisglycosiden
1.3.2.   Fosfodiësterase-inhibitoren
2. Bloed en stolling
3. Gastro-intestinaal stelsel
4. Ademhalingsstelsel
5. Hormonaal stelsel
6. Gynaeco–Obstetrie
7. Urogenitaal stelsel
8. Pijn en koorts
9. Osteo-articulaire aandoeningen
10. Zenuwstelsel
11. Infecties
12. Immuniteit
13. Antitumorale middelen
14. Mineralen, vitaminen en tonica
15. Dermatologie
16. Oftalmologie
17. Neus-Keel-Oren
18. Anesthesie
19. Diagnostica
20. Diverse geneesmiddelen

  Merknaam:
 A   B   C   D   E   F   G   H   I 
 J   K   L   M   N   O   P   Q   R 
 S   T   U   V   W   X   Y   Z 

  Stofnaam:
 A   B   C   D   E   F   G   H   I 
 J   K   L   M   N   O   P   Q   R 
 S   T   U   V   W   X   Y   Z 

Gecommentarieerd Geneesmiddelenrepertorium   Januari 2012   en français

 

Hartfalen

 
 

De medicamenteuze behandeling van hartfalen is vooral gebaseerd op:

  • diuretica (thiaziden, lisdiuretica en, bij ernstig hartfalen, spironolacton, zie 1.4.)
  • angiotensineconversie-enzyminhibitoren (ACE-inhibitoren, zie 1.7.1.)
  • sartanen (angiotensine-II-receptorantagonisten, zie 1.7.2.)
  • β-blokkers (bewezen voor bisoprolol, carvedilol, metoprolol en nebivolol, zie 1.5.).

Er is een beperkte plaats voor:

  • nitraten (zie 1.2.1.)
  • digitalisglycosiden
  • fosfodiësterase-inhibitoren.

Aangezien diuretica, β-blokkers en middelen inwerkend op het renine-angiotensinesysteem meerdere grote indicaties hebben, worden ze in afzonderlijke hoofdstukken besproken.

Plaatsbepaling
  • Zie ook Folia juni 2004.
  • Acuut hartfalen is een urgentie waarbij parenteraal lisdiuretica en morfine en sublinguaal nitraten gebruikt worden, evenals zuurstof; in het ziekenhuis is ook nog een beperkte plaats voor intraveneuze toediening van nitraten, molsidomine, fosfodiësterase-inhibitoren en digitalis.
  • Bij chronisch hartfalen worden de symptomen van water- en zoutretentie opgevangen door diuretica (thiaziden, lisdiuretica). De minimale effectieve dosis wordt toegediend. Hierbij kan regelmatig wegen van de patiënt een goede indicator zijn.
  • Daarnaast worden farmaca gebruikt die de levenskwaliteit en de levensverwachting van de patiënt verbeteren. Het gaat vooral om de combinatie van een ACE-inhibitor en een β-blokker; men tracht de vooropgestelde doses geleidelijk te bereiken, voor zover deze verdragen worden.
  • Bij patiënten met ernstig hartfalen (NYHA III-IV) kan ook de diuretische aldosteronantagonist spironolacton geassocieerd worden. Eplerenon kan een alternatief zijn bij patiënten met hartfalen na myocardinfarct.
  • Sartanen zijn vooral aangewezen indien de ACE-inhibitoren niet verdragen worden (bv. wegens hoest). Bij patiënten met hartfalen die niet voldoende onder controle zijn met de standaardbehandeling kan overwogen worden om een sartaan te associëren, ook als reeds een ACE-inhibitor gegeven wordt.
  • Bij patiënten behandeld met een ACE-inhibitor of een sartaan dienen nierfunctie en kaliumspiegels nauwkeurig opgevolgd te worden, zeker als ook spironolacton wordt gegeven.
  • Om hypotensie te vermijden zal elk geneesmiddel aan een lage dosis gestart worden en traag opgedreven worden. Dit is in het bijzonder het geval voor het gebruik van β-blokkers in deze indicatie.
  • De plaats van nitraten in de behandeling van chronisch hartfalen is onduidelijk.
  • Digitalisglycosiden hebben geen bewezen invloed op de mortaliteit.