Inhoudstafel
 
  Inleiding
1. Cardiovasculair stelsel
1.6.  Calciumantagonisten
1.6.1.   Dihydropyridines
1.6.2.   Verapamil
1.6.3.   Diltiazem
2. Bloed en stolling
3. Gastro-intestinaal stelsel
4. Ademhalingsstelsel
5. Hormonaal stelsel
6. Gynaeco–Obstetrie
7. Urogenitaal stelsel
8. Pijn en koorts
9. Osteo-articulaire aandoeningen
10. Zenuwstelsel
11. Infecties
12. Immuniteit
13. Antitumorale middelen
14. Mineralen, vitaminen en tonica
15. Dermatologie
16. Oftalmologie
17. Neus-Keel-Oren
18. Anesthesie
19. Diagnostica
20. Diverse geneesmiddelen

  Merknaam:
 A   B   C   D   E   F   G   H   I 
 J   K   L   M   N   O   P   Q   R 
 S   T   U   V   W   X   Y   Z 

  Stofnaam:
 A   B   C   D   E   F   G   H   I 
 J   K   L   M   N   O   P   Q   R 
 S   T   U   V   W   X   Y   Z 

Gecommentarieerd Geneesmiddelenrepertorium   Januari 2012   en français

 

Calciumantagonisten

 
 

Calciumantagonisten inhiberen, vooral ter hoogte van het cardiovasculaire systeem, de influx van calcium in de cellen maar de verschillende klassen hebben tamelijk uiteenlopende effecten.

De dihydropyridines zijn vooral vasodilaterend en hebben minder direct effect op het hart. Ze kunnen wel reflectorische tachycardie veroorzaken, vooral bij bruusk optredende hypotensie. In hoeverre de verschillen in vasculaire selectiviteit tussen de dihydropyridines relevant zijn in verband met doeltreffendheid en ongewenste effecten, staat niet vast. Het gebruik van nifedipine met korte werkingsduur is niet aangewezen (zie rubriek "Ongewenste effecten”); de preparaten op basis van nifedipine met normale, niet-vertraagde vrijstelling werden in oktober 2011 uit de handel genomen.

Verapamil vertraagt de hartfrequentie en de geleiding over de AV-knoop. Tevens vermindert het de contractiliteit van het hart en de contractie van vasculaire gladde spiercellen.

Diltiazem geeft een perifere vasodilatatie en een vertraging van de hartfrequentie.

Plaatsbepaling
  • Hypertensie, vooral bij systolische hypertensie bij oudere patiënten, patiënten met angina pectoris en patiënten van het zwarte ras.
  • Stabiele en vasospastische angor.
  • Supraventriculaire tachycardie: verapamil intraveneus.
  • Syndroom van Raynaud: sommige dihydropyridines, bijvoorbeeld nifedipine.
  • Preventie van ischemische letsels bij acute subarachnoïdale bloedingen: nimodipine.
  • Tocolytisch effect: nifedipine (indicatie niet vermeld in de SKP) [zie Folia oktober 2008].
  • Vertragen van het hartritme bij sinusale tachycardie en bij snelle voorkamerfibrillatie (voor "rate control”, d.w.z. verlagen van de ventrikelfrequentie, zonder herstel van het sinusritme) wanneer β-blokkers ontoereikend of gecontra-indiceerd zijn: verapamil en diltiazem.
Belangrijkste contra-indicaties
  • Onstabiele angor, acute fase van het myocardinfarct.
  • Tweede- en derdegraads-atrioventriculair blok: verapamil en diltiazem.
  • Hartfalen: vooral verapamil en diltiazem.
  • Het gebruik van verapamil intraveneus is gecontra-indiceerd bij patiënten onder β-blokkers, bij reciproke tachycardie bij Wolff-Parkinson-White-syndroom, en bij ventrikeltachycardie, wegens het gevaar voor cardiale depressie en shock.
Belangrijkste ongewenste effecten
  • Dihydropyridines: perifere vasodilatatie met hoofdpijn, enkeloedeem, warmte-opwellingen, hypotensie en reflectorische tachycardie (vooral met de kortwerkende dihydropyridines).
  • Overdreven vermindering van contractiliteit en frequentie van het hart: vooral verapamil.
  • Gingivale hyperplasie.
  • Obstipatie: vooral verapamil.
  • Intestinale obstructie met Adalat Oros®.
Belangrijkste interacties
  • Zie ook 1.1.
  • De meeste calciumantagonisten zijn substraten van CYP3A4, met mogelijkheid van interacties (zie tabel Id in Inleiding). De biologische beschikbaarheid van de middelen met uitgesproken eerste-passage extractie t.h.v. de lever na orale toediening verhoogt bij gelijktijdig gebruik van CYP3A4–inhibitoren, en verlaagt bij gelijktijdig gebruik van CYP3A4–inductoren.
  • Verapamil en diltiazem inhiberen CYP3A4, met mogelijkheid van interacties (zie tabel Id in Inleiding).
  • Versterking van de ongewenste effecten van β-blokkers (bradycardie, risico van atrioventriculair blok en verminderde myocardcontractiliteit) bij associëren van een β-blokker aan verapamil en in mindere mate diltiazem. Het gebruik van verapamil intraveneus is gecontra-indiceerd bij patiënten onder β-blokkers wegens het gevaar voor cardiale depressie en shock.
  • Verhoging van de plasmaconcentraties van digoxine bij gelijktijdige inname van verapamil en mogelijk andere calciumantagonisten.
Posologie
  • De doses die hier worden gegeven zijn deze die gewoonlijk worden toegepast.