|
Merknaam:
Stofnaam:
|
|
|
Gecommentarieerd Geneesmiddelenrepertorium |
Januari 2012
 |
|
|
| |
Anti-aritmica |
|
| |
Plaatsbepaling - De meeste ritmestoornissen moeten niet behandeld worden, tenzij er een hemodynamische weerslag is of indien de aritmie subjectief te veel last geeft. Voor diverse anti-aritmica is inderdaad in langetermijnstudies bij patiënten met coronair lijden verhoogde mortaliteit vastgesteld.
- Voor sommige ritmestoornissen is ablatie doeltreffend.
- Supraventriculaire ritmestoornissen
- Het gebruik van anti-aritmica beperkt zich meestal tot het onderbreken van episodes van acute supraventriculaire tachy-aritmieën met re-entry (intraveneuze toediening van adenosine of, bij contra-indicatie voor adenosine, verapamil onder monitoring) en tot behandeling van de voorkamerfibrillatie. Voor de behandeling van voorkamerfibrillatie, zie ook Folia september 2007 enTransparantiefiche "Aanpak van voorkamerfibrillatie”. Bij de “rate-control” benadering, waarbij men de ventrikelfrequentie wil vertragen zonder herstel van het sinusritme, zijn β-blokkers en calciumantagonisten, alleen of in combinatie, werkzamer dan digitalisglycosiden. Herstel van het sinusritme (“rhythm-control”) heeft in de meeste gevallen geen voordeel, tenzij de patiënt veel last heeft van de voorkamerfibrillatie (palpitaties).
- Geïsoleerde voorkamerextrasystolen behoeven doorgaans geen behandeling.
- Bij patiënten met weinig frequente, symptomatische episodes van paroxysmale voorkamerfibrillatie zonder onderliggende hartaandoening, is orale toediening van een eenmalige dosis van een anti-aritmicum (bv. flecaïnide, propafenon) op het ogenblik van de aanval doeltreffend; dit laat dikwijls toe spoedopname en hospitalisatie te vermijden. De patiënt moet wel bij een vorige episode met succes met hetzelfde geneesmiddel langs orale weg zijn behandeld in het ziekenhuis ("pill in the pocket approach”) [zie Folia september 2007].
- Ventriculaire ritmestoornissen
- Bij potentieel levensbedreigende ventriculaire ritmestoornissen zoals ventrikeltachycardie, zijn anti-aritmica minder doeltreffend dan een implanteerbare defibrillator en hebben bijgevolg slechts een bijkomstige rol.
- Asymptomatische ventrikelextrasystolen behoeven meestal geen behandeling, tenzij ze zeer frequent optreden en de hartfunctie aantasten.
Belangrijkste contra-indicaties - Hartfalen en atrioventriculaire geleidingsstoornissen voor de meeste anti-aritmica.
Belangrijkste ongewenste effecten - Pro-aritmogene effecten met risico van "torsades de pointes”, vooral voor disopyramide en sotalol, minder voor bv. amiodaron; voor de risicofactoren van "torsades de pointes” in het algemeen, zie "Ongewenste effecten” in Inleiding.
- Negatief inotroop en negatief dromotroop effect voor vele anti-aritmica (zelden voor amiodaron).
Belangrijkste interacties - Verhoogd risico van ongewenste effecten bij associëren van anti-aritmica onderling.
- Verhoogd risico van "torsades de pointes” bij associatie van bepaalde geneesmiddelen (zie "Ongewenste effecten" in Inleiding).
Belangrijkste voorzorgen - De posologie en de keuze van de anti-aritmica zijn o.a. afhankelijk van de aard van de aritmie, van de hartfunctie en soms van de lever- of nierfunctie.
- Hypokaliëmie en andere elektrolytenstoornissen kunnen het pro-aritmogeen effect van anti-aritmica versterken of de doeltreffendheid verminderen.
- Gezien de nauwe therapeutisch-toxische grens is strikte opvolging nodig, bv. controle van het ECG. Voor sommige anti-aritmica kan meting van de plasmaconcentraties soms nuttig zijn (zie "Plasmaconcentratiemonitoring” in Inleiding).
|
|
|