Inhoudstafel
 
  Inleiding
1. Cardiovasculair stelsel
2. Bloed en stolling
3. Gastro-intestinaal stelsel
4. Ademhalingsstelsel
5. Hormonaal stelsel
5.1.  Diabetes
5.1.1.   Insuline
5.1.1.1.    Ultrasnelwerkende insuline-analogen
5.1.1.2.    Snelwerkende insulines
5.1.1.3.    Insulines met intermediaire werkingsduur
5.1.1.4.    Langwerkende insuline-analogen
5.1.1.5.    Combinatiepreparaten
6. Gynaeco–Obstetrie
7. Urogenitaal stelsel
8. Pijn en koorts
9. Osteo-articulaire aandoeningen
10. Zenuwstelsel
11. Infecties
12. Immuniteit
13. Antitumorale middelen
14. Mineralen, vitaminen en tonica
15. Dermatologie
16. Oftalmologie
17. Neus-Keel-Oren
18. Anesthesie
19. Diagnostica
20. Diverse geneesmiddelen

  Merknaam:
 A   B   C   D   E   F   G   H   I 
 J   K   L   M   N   O   P   Q   R 
 S   T   U   V   W   X   Y   Z 

  Stofnaam:
 A   B   C   D   E   F   G   H   I 
 J   K   L   M   N   O   P   Q   R 
 S   T   U   V   W   X   Y   Z 

Gecommentarieerd Geneesmiddelenrepertorium   Januari 2012   en français

 

Insuline

 
  Plaatsbepaling
  • Zie ook 5.1.
  • De huidig beschikbare insulinepreparaten worden geproduceerd door recombinant-technologie (biosynthetische insuline).
  • De preparaten worden geklasseerd naargelang de snelheid waarmee de werking zich instelt en hun werkingsduur.
  • Een langere werkingsduur wordt verkregen door toevoegen aan insuline van protamine (insuline NPH en isofaan) of door de beoogde trage resorptie te bewerken door sterke albuminebinding (insuline detemir) of vanuit subcutane microprecipitaten (insuline glargine).
  • De werkingsduur verandert ook naargelang de nierfunctie, de injectiemodaliteiten en de spieractiviteit in het lidmaat waarin insuline werd ingespoten.
  • De keuze van het preparaat, de dosis en de frequentie van inspuiten moeten individueel bepaald worden en hangen af van factoren zoals de karakteristieken van de patiënt, het type diabetes, het lichaamsgewicht, het dieet, de lichaamsbeweging, de inname van bepaalde geneesmiddelen, het bestaan van andere aandoeningen of zwangerschap.
Indicaties
  • Type 1-diabetes.
  • Type 2-diabetes, in monotherapie of in combinatie met orale antidiabetica, permanent of tijdelijk: bij ernstige infecties, bij glykemie-ontregeling door glucocorticoïden, en bij stresstoestanden zoals traumata en chirurgische ingrepen.
  • Diabetes tijdens de zwangerschap.
Belangrijkste contra-indicaties
  • Gebruik samen met glitazonen (in verband met verhoogd risico van hartfalen).
Belangrijkste ongewenste effecten
  • Hypoglykemie.
  • Vorming van circulerende antilichamen die een deel van de toegediende insuline neutraliseren.
  • Allergische huidreacties van het vertraagde type bij het begin van de behandeling, maar meestal verdwijnend bij verdere behandeling.
  • Lipodystrofie op de plaats van injectie, vooral bij slechte injectietechniek; dit kan de resorptie van insuline tegengaan en is onesthetisch.
  • Gewichtstoename.
Belangrijkste interacties Belangrijkste voorzorgen
  • Hypoglykemie door insuline moet zoveel mogelijk vermeden worden, o.a. door een goede voorlichting van de patiënt, zelfmeting van de glykemie en aanpassing van de dosis aan de maaltijden en aan de fysieke inspanning.
  • Hypokaliëmie kan optreden wanneer een keto-acidose of hyperglykemische hyperosmolaire situatie gecorrigeerd wordt met insuline.
  • Voor de insulines met troebel uitzicht moet men erop letten dat de suspensie homogeen is op het ogenblik dat de toe te dienen insuline wordt afgemeten. Het homogeniseren van insuline gebeurt door de flacon ten minste tienmaal te zwenken; gewoon schudden heeft onvoldoende effect [zie Folia februari 2001].
Posologie
  • De doses worden best aangepast op basis van de resultaten van (zelf-)controles van de glykemie.
  • In België bevatten de insulinepreparaten 100 IE insuline per ml. Het gaat om flacons voor gebruik in spuiten of in insulinepompen, om patronen voor insulinepennen of insulinepompen, en om voorgevulde wegwerppennen.