Inhoudstafel
 
  Inleiding
1. Cardiovasculair stelsel
2. Bloed en stolling
3. Gastro-intestinaal stelsel
4. Ademhalingsstelsel
5. Hormonaal stelsel
6. Gynaeco–Obstetrie
6.2.  Anticonceptie
6.2.1.   Oestroprogestagenen voor anticonceptie
6.2.2.   Progestagenen voor anticonceptie
6.2.3.   Urgentie-anticonceptie
7. Urogenitaal stelsel
8. Pijn en koorts
9. Osteo-articulaire aandoeningen
10. Zenuwstelsel
11. Infecties
12. Immuniteit
13. Antitumorale middelen
14. Mineralen, vitaminen en tonica
15. Dermatologie
16. Oftalmologie
17. Neus-Keel-Oren
18. Anesthesie
19. Diagnostica
20. Diverse geneesmiddelen

  Merknaam:
 A   B   C   D   E   F   G   H   I 
 J   K   L   M   N   O   P   Q   R 
 S   T   U   V   W   X   Y   Z 

  Stofnaam:
 A   B   C   D   E   F   G   H   I 
 J   K   L   M   N   O   P   Q   R 
 S   T   U   V   W   X   Y   Z 

Gecommentarieerd Geneesmiddelenrepertorium   Januari 2012   en français

 

Anticonceptie

 
  Plaatsbepaling
  • Zie Folia juli 2010
  • In het kader van anticonceptie worden vooral verschillende types oestroprogestagene associaties en progestagenen gebruikt.
  • De oestroprogestagene associaties worden, naast hun gebruik voor anticonceptie, ook soms gebruikt bij cyclusstoornissen, dysmenorroe [zie Folia maart 2006] en acne [zie Folia juli 2005] en in het kader van menopauzale problemen (zie 6.3.).
  • Monofasische preparaten zijn bij de meeste vrouwen de eerste keuze, en ze zijn ook meest geschikt om de menstruatie uit te stellen.
  • Monofasische preparaten worden onderverdeeld in preparaten van de eerste generatie, van de tweede generatie en de derde generatie.
    • Eerstegeneratie-anticonceptiva bevatten hoge doses oestrogeen (50 µg ethinylestradiol).
    • Tweedegeneratie-anticonceptiva bevatten lage doses oestrogeen (< 50 µg ethinylestradiol) en als progestageen levonorgestrel, norgestimaat of norethisteron.
    • Derdegeneratie-anticonceptiva bevatten lage doses oestrogeen (< 50 µg ethinylestradiol) en als progestageen desogestrel of gestodeen.
    • Drospirenon-bevattende anticonceptiva worden niet in een van deze drie categorieën geklasseerd.
  • Monofasische preparaten van de tweede generatie lijken de beste risico-batenverhouding te vertonen. Met de associaties die zeer lage doses oestrogeen bevatten (minder dan 30 µg ethinylestradiol), is het risico van onregelmatig bloedverlies en van pilfalen bij het vergeten van een pil, groter.
  • Bifasische preparaten kunnen gebruikt worden wanneer bij gebruik van een monofasisch preparaat bloedverlies optreedt in de eerste helft van de cyclus.
  • Trifasische preparaten zouden een betere controle van de cyclus en minder ongewenste effecten geven, maar hiervoor zijn geen harde bewijzen.
  • De doeltreffendheid van het sequentiële preparaat met estradiol en dienogest is niet groter dan deze van de andere oestroprogestagenen voor anticonceptief gebruik. Het bijwerkingsprofiel is niet goed bekend, in het bijzonder voor wat het trombo-embolische risico betreft. Het is geen eerstekeuze-anticonceptivum.
  • De vaste associatie van cyproteron en ethinylestradiol (zie 6.3.4.) is enkel aangewezen als anticonceptivum als er ook een andere indicatie (bv. therapieresistente acne) aanwezig is.
  • Voor de associaties voor vaginaal of transdermaal gebruik ontbreken langetermijngegevens. Dezelfde contra-indicaties en voorzorgen als voor de orale associaties voor anticonceptief gebruik dienen daarom te worden gerespecteerd, en men dient rekening te houden met dezelfde ongewenste effecten (ondermeer veneuze trombo-embolie) [zie Folia januari 2007 en maart 2008].
  • In de aangepaste dosering zijn de meeste progestagenen - behalve progesteron en dydrogesteron - anticonceptief, maar als anticonceptiva worden ze meestal gebruikt in associatie met oestrogenen (zie 6.2.1.).
  • Medroxyprogesteron wordt intramusculair of subcutaan gebruikt als anticonceptivum (de prikpil); de werkingsduur is onvoorspelbaar en ongewenste effecten zoals gewichtstoename, amenorroe en spotting zijn frequent; door een daling van de oestrogeenspiegels vermindert medroxyprogesteron bij langdurig gebruik de botdensiteit.
  • De minipil bevat alleen zeer lage doses desogestrel en dient continu vanaf de eerste dag van de cyclus genomen te worden. Met deze doses wordt de ovulatie niet systematisch onderdrukt. De minipil moet elke dag op hetzelfde uur genomen worden. De ongewenste effecten beperken zich tot intermenstruele bloeding, maar het risico van zwangerschap is wat hoger dan met andere hormonale anticonceptiva. De minipil is vooral aangewezen tijdens de periode van borstvoeding of bij vrouwen bij wie er een contra-indicatie is voor de oestroprogestagene associaties.
  • Het levonorgestrel-bevattend intra-uterien device (IUD) wordt gebruikt voor anticonceptie, bij idiopathische menorragieën en voor het tegengaan van endometriumhyperplasie tijdens oestrogeensubstitutietherapie. De anticonceptieve zekerheid is waarschijnlijk even hoog als deze van de oestroprogestagene associaties. De hoeveelheid levonorgestrel die in de perifere circulatie terecht komt is gering.
  • Etonogestrel wordt als implantaat gebruikt voor anticonceptie. De anticonceptieve zekerheid gedurende de aanbevolen gebruiksduur (tot 3 jaar) is bij correcte plaatsing (die zeer belangrijk is, zie Folia mei 2003) waarschijnlijk even hoog als deze van de oestroprogestagene associaties.
  • Naast de medicamenteuze benadering hebben ook het condoom, het IUD en sterilisatie een belangrijke plaats. Bepaalde vormen van 'natuurlijke anticonceptie' kunnen ook een alternatief zijn bij gemotiveerde koppels [zie Folia december 2010].
  • Als urgentie-anticonceptie ("morning after pill”) wordt meestal de "levonorgestrel alleen”-methode gebruikt (zie 6.2.3.).