|
Merknaam:
Stofnaam:
|
|
|
Gecommentarieerd Geneesmiddelenrepertorium |
Januari 2012
 |
|
|
| |
Blaasfunctiestoornissen |
|
| |
Plaatsbepaling - Niet-medicamenteuze maatregelen (vochtbeperking, blaastraining en bekkenbodemspieroefeningen) verbeteren de symptomen van incontinentie. Er zijn weinig degelijke studies die een medicamenteuze aanpak vergelijken met een niet-medicamenteuze aanpak of met een combinatie van beide.
- De juiste plaats van sommige van deze geneesmiddelen bij blaas- en blaassfincterproblemen staat niet vast [zie Folia maart 2002 en april 2008].
- Overactieve blaas met incontinentie (syn. urge-incontinentie of aandrangincontinentie) of zonder incontinentie: symptomatische verbetering met anticholinergica; de doeltreffendheid van de verschillende anticholinergica is vergelijkbaar, en er is een belangrijk placebo-effect.
- Inspanningsincontinentie (syn. stressincontinentie): hoewel medicatie geen belangrijke rol speelt bij inspanningsincontinentie, worden bepaalde geneesmiddelen soms gebruikt in associatie met de niet-medicamenteuze aanpak.
- Blaasatonie: bethanechol wordt voorgesteld. Alfa-blokkers worden gebruikt, maar ze hebben geen invloed op de contractiliteit van de blaas en deze indicatie wordt niet in de SKP's vermeld.
- Meer en meer wordt volgende indeling gebruikt:
- Symptomen te wijten aan stoornissen van de vulling van de blaas: stressincontinentie, overactieve blaas, nycturie, bedwateren.
- Symptomen te wijten aan problemen met de blaaslediging: obstructie (zie 7.2. Benigne prostaathypertropie), sfincterdisfunctie, blaasatonie.
Indicaties - Urge-incontinentie door blaasinstabiliteit: de anticholinergica darifenacine, fesoterodine, tolterodine, oxybutynine, propiverine, solifenacine, en (weinig overtuigend) flavoxaat.
- Inspanningsincontinentie bij de vrouw (bij onvoldoende effect van niet-medicamenteuze maatregelen): duloxetine (ook gebruikt als antidepressivum, zie 10.3.1.).
- Overloopincontinentie: de aanpak gebeurt in functie van de etiologie, en vergt dikwijls een chirurgische ingreep.
- Blaasatonie: bethanechol.
Belangrijkste contra-indicaties - Darifenacine, fesoterodine, tolterodine, oxybutynine (ook transdermaal), propiverine, solifenacine: deze van de anticholinergica (zie "Ongewenste effecten” in Inleiding).
- Bethanechol: urogenitale of gastro-intestinale obstructie, astma.
Belangrijkste ongewenste effecten - Darifenacine, fesoterodine, tolterodine, oxybutynine (ook transdermaal), propiverine, solifenacine: o.a. anticholinerge effecten (zie "Ongewenste effecten” in Inleiding).
- Flavoxaat: abdominale pijn, duizeligheid.
- Duloxetine: gezien duloxetine de heropname van noradrenaline en serotonine remt, kunnen de ongewenste effecten gezien met SSRI’s niet worden uitgesloten (zie 10.3.2. en Folia juli 2006).
- Oxybutynine transdermaal: ook huidreacties.
- Bethanechol: tekenen van cholinerge stimulatie (nausea, braken, zweten, speekselvloed, onwillekeurige mictie of defecatie, bronchospasme, bradycardie, hypotensie).
Belangrijkste interacties - Solifenacine en propiverine zijn substraten van CYP3A4, met mogelijkheid van interacties (zie tabel Id in Inleiding).
- Tolterodine is een substraat van CYP3A4, met mogelijkheid van interacties (zie tabel Id in Inleiding).
- Duloxetine is een substraat van CYP1A2 en CYP2D6, en inhibeert CYP2D6, met mogelijkheid van interacties (zie tabel Id in Inleiding).
- Duloxetine: serotoninesyndroom in combinatie met andere stoffen met serotoninerge werking (vooral MAO-inhibitors of SSRI's) (zie "Ongewenste effecten” in Inleiding).
|
|
|