|
Merknaam:
Stofnaam:
|
|
|
Gecommentarieerd Geneesmiddelenrepertorium |
Februari 2010
 |
|
|
| |
Antibacteriële middelen |
|
| |
Werking
- Antibiotica blokkeren specifieke vitale metabole processen bij gevoelige bacteriën zodat
hun groei stopt, meestal slechts tijdelijk (bacteriostase), maar soms definitief (bactericied
effect). Deze inhibitie treedt slechts op vanaf een bepaalde concentratie van het
antibioticum, de minimale inhiberende concentratie (MIC); beneden deze concentratie
herneemt meestal de groei.
- Voor de meeste antibioticaklassen (bv. penicillines, cefalosporines) is de tijdsduur waarbij
de concentratie boven de MIC blijft cruciaal voor de werking. Die duur hangt af van de
toegediende dosis maar vooral van de halfwaardetijd, en van het tijdsinterval tussen twee
toedieningen. Voor andere antibiotica (bv. aminoglycosiden en chinolonen), is alleen de
bereikte piekconcentratie belangrijk omdat hun effect al binnen het uur onomkeerbaar is, en
dus kan minder frequente toediening volstaan.
Resistentie
- Bij te lage concentraties van een antibacterieel middel worden alleen de meest gevoelige
micro-organismen geremd terwijl de minder gevoelige doorgroeien, met (partiële)
resistentie.
- Resistentie kan ook spontaan ontstaan ("natuurlijke resistentie”), zonder selectiedruk van
bijvoorbeeld antibiotica, of kan overgedragen worden vanuit andere resistente bacteriën.
Plaatsbepaling - Antibiotica zijn van cruciaal belang bij ernstige bacteriële infecties (meningitis, pneumonie, sepsis...), maar hebben geen of slechts een marginaal effect bij zelflimiterende infecties.
- Men moet vermijden bij elk vermoeden van infectie systematisch een anti-infectieuze behandeling in te stellen. Bij respiratoire infecties, vooral neus-keel- en oorinfecties, zal dit vaak onnodig blijken [zie Folia oktober 2004, september 2005, oktober 2006en oktober 2007]. Bij deze infecties, maar ook bv. bij asymptomatische bacteriurie [zie Folia juni 2005, >, juli 2007 en f" Target="_top">ruari 2008] dient de beslissing om antibiotica te gebruiken, zorgvuldig te worden overwogen.
- De toename van de resistentie van bacteriën tegen de bestaande antibiotica is onrustwekkend, o.a. ten gevolge van onoordeelkundig gebruik van antibiotica. Zie in dit verband ook de aanbevelingen van de Belgische Commissie voor de Coördinatie van het Antibioticabeleid ("Belgian Antibiotic Policy Coordination Committee” of BAPCOC), via www.health.fgov.be/antibiotics, en Folia maart 2007 in verband met meticilline-resistente Staphylococcus aureus (MRSA).
- Profylactische behandeling met antibiotica is meestal zinloos. Uitzonderingen daarbij zijn korte profylaxis bij bepaalde chirurgische ingrepen [zie advies Hoge Gezondheidsraad "Aanbevelingen voor het profylactisch gebruik van antibiotica in de heelkunde”, via www.health.fgov.be/CSH_HGR klik "Adviezen en Aanbevelingen”, zoekterm: "heelkunde”], profylaxis ten opzichte van bacteriële endocarditis of van late post-operatieve prothese-infecties bij risicopatiënten in geval van bepaalde ingrepen [zie Folia augustus 2001, december 2001 en juni 2008], en bij contact met patiënten met meningokokkenmeningitis [zie Folia september 2007].
- Bij de keuze van een antibacterieel middel zal men in de praktijk zelden kunnen steunen op de identificatie van de oorzakelijke kiem en op het antibiogram. Bij de empirische keuze moet men bij voorkeur een antibioticum met nauw spectrum aanwenden, en associaties van anti-infectieuze middelen vermijden, tenzij indien door het associëren het optreden van resistentie kan worden tegengegaan, bv. bij infecties met Mycobacterium tuberculosis of Helicobacter pylori.
Belangrijkste ongewenste effecten - De ongewenste effecten eigen aan elk antibacterieel middel of aan bepaalde groepen antibacteriële middelen worden op de desbetreffende plaatsen vermeld.
- Alle antibacteriële middelen kunnen de commensale flora beïnvloeden, met diarree, en gist- en schimmelinfecties tot gevolg. Pseudomembraneuze colitis, door proliferatie van Clostridium difficile, kan optreden na behandeling met allerlei antibiotica, bv. aminopenicillines, cefalosporines en chinolonen, maar wordt frequenter gezien met lincomycine en clindamycine [zie Folia november 2006].
- Sommige antibacteriële geneesmiddelen kunnen ongewenste gastro-intestinale effecten veroorzaken die niet uitsluitend op een overgroei van bepaalde micro-organismen berusten.
Belangrijkste interacties - Meerdere antibacteriële middelen kunnen het effect van vitamine K-antagonisten beïnvloeden (meestal potentialiseren, zie tabel in 1.9.2.5.).
- Breedspectrumantibiotica kunnen, door interferentie met de enterohepatische cyclus, de betrouwbaarheid van de orale anticonceptiva verminderen.
- De belangrijkste interacties van de individuele producten worden vermeld ter hoogte van de producten.
Posologie - Aanpassing van de posologie van antibacteriële geneesmiddelen is in bepaalde omstandigheden aangewezen.
- Wanneer het gaat om potentieel minder gevoelige micro-organismen (bv. voor amoxicilline bij pneumokokkenpneumonie) of bij infecties ter hoogte van organen met slechte weefselpenetratie van het antibioticum (bv. prostaat) kunnen hogere doses nodig zijn.
- Bij infecties van de lagere urinewegen, met uitzondering van prostatitis, kunnen producten die renaal worden uitgescheiden, aan lagere doses worden gegeven.
- Bij kinderen worden de doses berekend in functie van het lichaamsgewicht. Algemene regels daaromtrent kunnen niet gegeven worden; voor preparaten waarvan aangepaste bereidingen bestaan voor kinderen, wordt de pediatrische posologie vermeld.
- Bij nierinsufficiëntie moet de posologie voor geneesmiddelen die langs de nieren worden uitgescheiden, aangepast worden. Deze aanpassing is vooral belangrijk voor geneesmiddelen met nauwe therapeutisch-toxische grenzen zoals de aminoglycosiden.
CLASSIFICATIE VAN DE VOORNAAMSTE MICRO-ORGANISMEN IN DE HUMANE
PATHOLOGIE
Gram-positieve kokken
- Staphylococcus aureus
- Staphylococcus epidermidis en andere coagulase-negatieve stafylokokken
- Staphylococcus saprophyticus
- Streptococcus pyogenes (groep A, β-hemolytisch) en groepen C en G
- Streptococcus agalactiae (groep B, β-hemolytisch)
- Streptococcus viridans
- Streptococcus gallolyticus groep D
- Peptostreptococcus (anaërobe streptokok)
- Streptococcus pneumoniae (pneumokok)
- Enterococcus species
Gram-negatieve kokken
- Neisseria gonorrhoeae (gonokok)
- Neisseria meningitidis (meningokok)
- Moraxella catarrhalis
Gram-positieve staafjes
- Aërobe
- Bacillus anthracis
- Corynebacterium diphtheriae
- Listeria monocytogenes
- Anaërobe
- Clostridium difficile
- Clostridium perfringens
- Clostridium tetani
Gram-negatieve staafjes
- Aërobe
- Enterobacteriën
- Citrobacter species
- Enterobacter species
- Escherichia coli
- Klebsiella pneumoniae
- Proteus mirabilis (indol-negatief)
- Providencia rettgeri, Morganella morganii, Proteus vulgaris en
Providencia stuartii
- Salmonella typhi en andere salmonellae
- Serratia species
- Shigella species
- Yersinia enterocolitica
- Andere Gram-negatieve staafjes
- Acinetobacter species
- Bordetella pertussis
- Brucella
- Calymmatobacterium granulomatis
- Campylobacter species
- Francisella tularensis
- Gardnerella vaginalis
- Haemophilus ducreyi
- Haemophilus influenzae
- Helicobacter pylori
- Legionella pneumophila
- Pseudomonas aeruginosa
- Vibrio cholerae
- Anaërobe
- Bacteroides fragilis en non-fragilis
- Fusobacteriën
- Prevotella species
- Porphyromonas species
Zuurvaste staven
- Mycobacterium tuberculosis
- Atypische mycobacteriën
- Mycobacterium leprae
Actinomyceten
- Actinomyces israelii
- Nocardia species
Chlamydia
- Chlamydophila pneumoniae
- Chlamydophila psittaci
- Chlamydia trachomatis
Gisten en schimmels
- Aspergillus species
- Blastomyces dermatidis
- Candida albicans (monilia) en non-albicans
- Coccidioides
- Cryptococcus neoformans
- Dermatophyten (tinea)
- Histoplasma capsulatum
- Mucorales
- Sporotrichum
Mycoplasmen
- Mycoplasma hominis
- Mycoplasma pneumoniae
- Ureaplasma urealyticum
Spirocheten
- Borrelia burgdorferi
- Borrelia recurrentis
- Leptospira
- Leptotrichia buccalis
- Treponema pallidum
|
|
|