| |
Verschillende anti-epileptica worden gebruikt bij de behandeling van epilepsie. Ze kunnen geklasseerd worden volgens meerdere criteria. Een klinisch zinvolle classificatie is deze op basis van het werkingsspectrum [zie Folia april 2009].
- Anti-epileptica met een breder spectrum, die doeltreffend zijn bij meerdere types van aanvallen:
- valproïnezuur en valproaat
- lamotrigine
- levetiracetam
- topiramaat.
- Anti-epileptica met een nauwer spectrum, bv. doeltreffend bij focale epilepsie, bij tonisch-clonische aanvallen zonder myoclonieën, of bij absences:
- carbamazepine en oxcarbazepine
- gabapentine en pregabaline
- feneturide
- fenobarbital en primidon
- fenytoïne
- tiagabine
- lacosamide.
- Andere anti-epileptica:
- ethosuximide
- felbamaat
- vigabatrine
- stiripentol
- koolzuuranhydrase-inhibitoren (zie 1.4.3.)
- sommige benzodiazepines (zie 10.1.1.).
Plaatsbepaling - Zie ook Folia januari 2002, april 2002en april 2009.
- Alle anti-epileptica hebben ernstige ongewenste effecten. De beslissing een patiënt langdurig op anti-epileptische therapie te stellen, mag pas genomen worden nadat de diagnose van epilepsie vaststaat.
- Sommige anti-epileptica worden ook gebruikt bij
- neuropathische en andere chronische pijn: carbamazepine, gabapentine, pregabaline [zie Folia april 2006en Transparantiefiche "Neuropatische pijn"],
- stemmingsstoornissen: carbamazepine, lamotrigine, valproïnezuur en valproaat,
- de profylactische behandeling van migraine: valproïnezuur, valproaat, topiramaat (zie 10.9.2.; zie ook Transparantiefiche "Geneesmiddelen bij migraine").
- In principe is bij starten van een anti-epileptische behandeling monotherapie te verkiezen, met aanpassen van de posologie, eventueel met behulp van plasmaspiegelbepaling. Bij sommige patiënten is echter behandeling met twee of zelfs meer anti-epileptica nodig. Uitgebreide polymedicatie kan echter de epilepsie van de patiënt verslechteren.
Belangrijkste ongewenste effecten - Stevens-Johnson-syndroom en Lyell-syndroom zijn met meerdere anti-epileptica beschreven.
- Hematologische stoornissen, elektrolytenstoornissen, leverfunctiestoornissen, osteo-articulaire stoornissen en cognitieve stoornissen komen frequent voor.
- Gedragsveranderingen en stemmingsstoornissen, met inbegrip van zelfmoordgedachten, zijn beschreven.
- Hartritmestoornissen of geleidingsstoornissen kunnen met meerdere anti-epileptica optreden.
Zwangerschap - Voor vele anti-epileptica bestaat er een risico van teratogeniteit. Vaak echter rechtvaardigt dit niet het stoppen van de medicatie gezien dit risico moet afgewogen worden tegen het risico voor de foetus van epileptische aanvallen bij de moeder. Men dient bij de anti-epileptische behandeling reeds periconceptioneel 4 mg foliumzuur per dag te geven (zie 14.2.7.; zie Folia april 2002 en december 2006).
Belangrijkste interacties - Interferentie met het effect van anti-epileptica door geneesmiddelen die convulsies veroorzaken (zie "Ongewenste effecten" in Inleiding).
- Versterking van het effect van alcohol bij acute alcoholinname, en van sederende middelen; chronische alcoholinname kan de afbraak van sommige anti-epileptica versnellen.
Belangrijkste voorzorgen - Plots stoppen of bruusk verminderen van de posologie kan een epileptische aanval uitlokken; verminderen van de dosis dient geleidelijk te gebeuren.
Posologie - De posologie voor gebruik bij epilepsie wordt alleen gegeven voor meer courante gebruikte anti-epileptica. Wel wordt, ook voor de minder courant, de posologie gegeven voor sommige andere indicaties van anti-epileptica, bv. neuropathische pijn, trigeminusneuralgie, migraine.
- De gegeven posologieën zijn alleen richtinggevend en moeten individueel worden aangepast. Er worden geen posologieën gegeven voor kinderen.
|
|