De Transparantiefiches: een update


Aanpak van ADHD

  • De evidentie over de mogelijk positieve invloed van omega-3- en omega-6-vetzuren op de ADHD-symptomen bij kinderen met ADHD is tegenstrijdig en moeilijk te interpreteren vanwege de verschillen in onderzochte dosering, toedieningsvorm en behandelingsduur. Waar een gunstig effect gevonden wordt, is de winst beperkt 1-3.
  • Methylfenidaat en atomoxetine hebben een vergelijkbaar effect op de ADHD-symptomen. Studies tonen dat de langwerkende vorm van methylfenidaat wel een beter resultaat geeft dan atomoxetine. De methodologische tekortkomingen van de beschikbare studies vragen om bevestiging in verder onderzoek 4,5.
  • Bij volwassenen met ADHD kan psychotherapie de ADHD-symptomen verminderen. Methylfenidaat, amfetamines en atomoxetine zijn werkzamer dan placebo, maar geven ook meer ongewenste effecten 6. Over de veiligheid van langdurig medicatiegebruik zijn er nog onvoldoende gegevens.

Aanpak van angststoornissen

  • Twee nieuwe meta-analyses bevestigen de boodschap in de vorige update van de Transparantiefiche: antipsychotica verminderen de symptomen van veralgemeende angst op korte termijn (studieduur max. 8 weken), maar hebben geen bijkomend effect als ze toegevoegd worden bij patiënten resistent aan de basisbehandeling met antidepressiva (met of zonder benzodiazepines). In deze studies worden de antipsychotica vaak stopgezet wegens ongewenste effecten. Antipsychotica zijn bij veralgemeende angst niet werkzamer dan antidepressiva en zijn niet aan te bevelen vanwege de frequente en mogelijk ernstige ongewenste effecten 7-10.
  • Bij kinderen met depressie is een verhoogd risico van zelfmoordgedachten gesignaleerd na het gebruik van SSRI’s. De Amerikaanse FDA stelt dat een hoger risico voor geen enkel antidepressivum uit te sluiten is 11. Een nieuwe meta-analyse van placebogecontroleerde RCT’s over fluoxetine, gebaseerd op individuele patiëntengegevens, kon geen significant verhoogd risico van suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag bij jongeren met depressie aantonen 12,13. Er zijn wel een aantal bedenkingen bij deze meta-analyse. De meeste geanalyseerde gegevens waren afkomstig van studies gesponsord door de producent van fluoxetine, en het is niet duidelijk of ook niet-gepubliceerde studies werden opgenomen. De analyses hebben voornamelijk betrekking op de eerste 8 weken van behandeling omdat de gegevens over langere termijn schaars waren. De meta-analyse biedt dus geen definitief antwoord op de controverse omtrent de veiligheid van antidepressiva bij jongeren met depressie.
  • Volgens een RCT bij adolescenten met angststoornissen is cognitieve gedragstherapie via internet even werkzaam als face-to-face cognitieve gedragstherapie door een psycholoog (beide na 12 weken ongeveer 30% succes t.o.v. 4% in de controlegroep). Zowel de adolescent als zijn ouders kregen therapie. Therapie via internet biedt interessante mogelijkheden in deze leeftijdsgroep omdat de meeste adolescenten geen hulp zoeken voor hun angststoornis 14,15.

Aanpak van benigne prostaathypertrofie

Voor tadalafil 5 mg, een fosfodiësterase type 5-inhibitor voor de behandeling van erectiestoornissen, hebben de FDA en het EMA de indicatie "behandeling van benigne prostaathypertrofie" aanvaard. Twee gerandomiseerde studies konden een statistisch significante verbetering van de International Prostate Symptom Score (I-PSS, een gevalideerde vragenlijst) aantonen in vergelijking met placebo. Het verschil met placebo bedroeg 2,6 punten op een schaal van 0 tot 35, waar een minimumverschil van 4 punten als klinisch betekenisvol wordt beschouwd 16-18. Deze studies leveren geen informatie over eventuele combinaties met andere geneesmiddelen voor behandeling van benigne prostaathypertrofie zoals α-blokkers of 5-α-reductase-inhibitoren.


Aanpak van slapeloosheid

In de Transparantiefiche werd reeds gewezen op een verhoogd risico van parasomnieën, amnesie en hallucinaties bij gebruik van zolpidem en zaleplon (dit laatste is niet op de markt in België). Er blijven bij geneesmiddeleninstanties meldingen komen over het optreden van deze potentieel ernstige ongewenste effecten 19. Artsen die overwegen om zolpidem voor te schrijven, moeten hun patiënten over dit risico informeren.


Seizoensgebonden allergische rhinoconjunctivitis (hooikoorts)

  • In de lokale behandeling van hooikoorts zijn de nasale corticosteroïden het best bestudeerd en het meest werkzaam, maar het kan meerdere dagen duren voordat een goed resultaat wordt bekomen. In studies van korte duur bij patiënten met matige tot ernstige hooikoortsklachten bleek het associëren van azelastine (een intranasaal antihistaminicum) aan fluticason nasaal meer doeltreffend dan elk van beide producten in monotherapie. De behandeling bleek werkzaam vanaf de eerste dag. Er zijn geen gegevens over behandeling langer dan 2 weken 20,21. Een vaste associatie van deze twee middelen is in België niet beschikbaar.
  • Een allergeenextract van 5 verschillende grassoorten voor sublinguale desensibilisatie werd onderzocht bij 633 volwassen patiënten gedurende 3 jaar. Opstarten van de behandeling 2 of 4 maanden vóór het begin van het pollenseizoen werd vergeleken met placebo. Het primair eindpunt was een symptoomscore van 0 tot 18, waarin ook rekening werd gehouden met het gebruik van andere hooikoortsmedicatie. Na 3 jaar behandeling bedroeg deze score 5,3 punten in de placebogroep en 3,5 punten in de actief behandelde groepen, een statistisch significant maar klinisch beperkt verschil. Er was geen significant verschil tussen de kortere en de langere behandelingsduur. De voornaamste ongewenste effecten waren jeuk in de mond en irritatie van de keel 22,23.

Aanpak van voorkamerfibrillatie

  • In de Folia van maart 2012 werd de plaats van de nieuwe orale anticoagulantia (dabigatran en rivaroxaban) reeds besproken. De conclusie was dat een vitamine K-antagonist de eerste keuze blijft bij vele patiënten, maar dat dabigatran en rivaroxaban alternatieven kunnen zijn bij patiënten bij wie een behandeling met een vitamine K-antagonist moeilijk te regelen is. Ondertussen is ook apixaban Europees geregistreerd voor de preventie van trombo-embolie bij VKF. Er werden nog steeds geen vergelijkende studies tussen de verschillende nieuwe orale anticoagulantia gepubliceerd.
  • In enkele kleine studies werd gezocht naar een antidoot voor de nieuwe orale anticoagulantia. Protrombinecomplexconcentraat (PCC) zou het antitrombotisch effect van rivaroxaban neutraliseren, maar niet dat van dabigatran 24,25. De concentratie van dabigatran in het bloed kan door dialyse verminderd worden en theoretisch zou dit het antitrombotisch effect kunnen verminderen 26. Er zijn geen gegevens over de werkzaamheid van stollingsfactoren of vers bevroren plasma als antidoot voor dabigatran 27.
  • Een update van een Cochrane-review over anti-aritmica voor het behouden van het sinusritme na cardioversie wijzigt een eerder besluit. Na inclusie van 11 nieuwe RCT’s besluiten de auteurs van de meta-analyse dat de β-blokker metoprolol significant de kans op recidief van voorkamerfibrillatie vermindert en dat met sotalol, net als met de antiaritmica van klasse IA (disopyramide en kinidine), er een toename is van de mortaliteit: in deze studies ging behandeling met sotalol van 166 patiënten gedurende 1 jaar, gepaard met 1 extra overlijden 28.

Aanpak van type 2-diabetes

  • Exenatide s.c. 2 mg 1x/week is Europees geregistreerd, maar momenteel is deze hooggedoseerde vorm niet beschikbaar in België. De werkzaamheid qua glykemische controle is vergelijkbaar met deze van andere antidiabetica; gegevens van studies met harde eindpunten zijn nodig om de juiste plaats van deze middelen bij de aanpak van type 2-diabetes te situeren. In een studie bij patiënten die niet eerder behandeld waren voor type 2-diabetes werd exenatide voor wekelijkse toediening vergeleken met metformine, pioglitazon of sitagliptine. Na 26 weken behandeling waren er geen relevante verschillen tussen de groepen wat betreft glykemische controle. Met pioglitazon nam het gewicht toe, met de andere middelen was er een daling van het lichaamsgewicht. Er waren geen meldingen van majeure hypoglykemie 29,30. In een andere studie werd bij patiënten met onvoldoende glykemische controle met orale antidiabetica, toevoegen van exenatide wekelijks, vergeleken met toevoegen van insuline glargine eenmaal daags. Na 84 weken behandeling was de daling van het HbA1c in beide groepen vergelijkbaar. Met exenatide daalde het gewicht, met insuline glargine nam het gewicht toe. Er waren geen meldingen van majeure hypoglykemie 31,32.
  • De werkzaamheid van de DPP-4-inhibitoren (syn. gliptines) wat betreft glykemische controle is vergelijkbaar met deze van andere orale antidiabetica; gegevens van studies met harde eindpunten zijn nodig om de juiste plaats van deze middelen bij de aanpak van type 2-diabetes te situeren. Een recente meta-analyse bundelde de studies waarin de gliptines werden vergeleken met andere antidiabetica. In monotherapie bleek de werkzaamheid van gliptines en metformine vergelijkbaar. In associatie met metformine, bleken de gliptines even werkzaam op het HbA1c als pioglitazon of sulfamiden, maar met een groter gewichtsverlies 33. In een studie verschenen na de zoekdatum van de meta-analyse bleek toevoegen van linagliptine aan een behandeling met metformine even werkzaam als toevoegen van het sulfamide glimepiride 34.
  • Patiënten met een goede glykemische controle hebben geen baat bij het toevoegen van insuline in de vroege fase van type 2-diabetes. In een studie met patiënten met recent gediagnosticeerde, goed geregelde type 2-diabetes, bleek het toevoegen van insuline aan de behandeling gedurende 6 jaar niet te leiden tot een daling van het aantal micro- en macrovasculaire incidenten 35.
  • Er wordt algemeen aanbevolen om, bij het opstarten van insuline omwille van het falen van een behandeling met metformine, de behandeling met metformine verder te zetten. In een meta-analyse bleek de associatie van metformine met insuline ietwat werkzamer dan insuline alleen wat betreft glykemische controle, gewichtsverlies en nood aan insuline; wat betreft het optreden van ernstige hypoglykemie waren de resultaten niet eenduidig. Er werd echter geen significant voordeel gevonden voor de associatie met betrekking tot totale en cardiovasculaire mortaliteit. De meeste studies waren echter van korte duur (< 1 jaar), en de auteurs stellen dat studies van langere duur nodig zijn om de eventuele meerwaarde van de associatie van insuline en metformine te evalueren 36.

Aanpak van urine-incontinentie

  • Bij mannen met overactieve blaas zonder obstructieve symptomen is blaastraining even werkzaam als oxybutynine onder vorm van een preparaat met vertraagde vrijstelling (niet beschikbaar in België). Het aantal micties per dag was na 8 weken blaastraining evenveel verminderd als met medicatie. De blaastraining bestond uit onder begeleiding aanleren van bekkenbodemoefeningen, uitstellen van de mictie, technieken om het urge-gevoel te onderdrukken en beperken van de vochtinname ’s avonds 37,38.
  • Twee recente systematische reviews over de medicamenteuze aanpak van urine-incontinentie bevestigen de conclusie van de Transparantiefiche: anticholinergica hebben een statistisch significant, maar klinisch beperkt effect. Tussen de verschillende anticholinergica is er geen relevant verschil in werkzaamheid. Kortwerkend oxybutynine geeft, vergeleken met preparaten met vertraagde vrijstelling en nieuwere anticholinergica, vaker aanleiding tot monddroogte 39,40.
  • In een kleinschalige studie (n=58) bij postmenopauzale vrouwen met overactieve blaas werd geen verschil gevonden tussen lokale toediening van lage doses oestrogenen via vaginale ring en oxybutynine oraal 5 mg tweemaal per dag. Na 12 weken bleek de vermindering van het aantal micties in beide groepen even groot (3 tot 4,5 micties minder per dag). In België is er geen vaginale ring met alleen oestrogenen op de markt 41,42.
  • Een Cochrane-review over botulinetoxine werd recent geüpdatet en de auteurs hebben na inclusie van 14 nieuwe studies hun besluit gewijzigd. Ze besluiten dat botulinetoxine werkzaam is bij patiënten met overactieve blaas, maar benadrukken dat er nog te weinig gegevens zijn over de werkzaamheid en veiligheid op lange termijn, over de ideale dosis en over het toedieningsinterval. De patiënten in de studies hadden vóór de studie onvoldoende respons op anticholinergica of verdroegen deze niet 43.

Geneesmiddelen bij dementie

  • De Domino-studie onderzocht wat de beste behandelingsstrategie is bij thuiswonende patiënten die behandeld worden met een cholinesteraseremmer, en progressie vertonen naar matige tot ernstige dementie. Voortzetten van donepezil resulteert in minder achteruitgang in het cognitief functioneren en de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) dan over schakelen naar placebo, maar er was geen verschil in levenskwaliteit. De studie geeft geen antwoord op de cruciale vraag of voortzetten van de behandeling de opname van de patiënt in een instelling kan uitstellen. Toevoegen van memantine aan de behandeling met donepezil is niet zinvol; overschakelen van donezepil naar memantine gaf ietwat betere resultaten dan stopzetten van de behandeling, maar de winst ten opzichte van placebo was beperkt 44,45.
  • Cholinesterase-inhibitoren hebben ten opzichte van placebo een beter effect op de uitkomsten cognitief functioneren, ADL en algemeen oordeel van de behandelaar, bij patiënten met parkinsondementie. Anderzijds geven ze meer kans op het stopzetten van de behandeling wegens ongewenste effecten. Over hun waarde bij patiënten met lewybody- dementie zijn er slechts weinig studies en de bevindingen zijn niet eenduidig 46-48.
  • Nieuwe evidentie bevestigt dat antipsychotica slechts een beperkt effect hebben op de gedragsstoornissen bij dementie, en gepaard gaan met een verhoogd risico van overlijden. Voorzichtigheid blijft geboden bij het voorschrijven van gelijk welk antipsychoticum 7,8,49,50.
  • Wat betreft de doeltreffendheid van antidepressiva bij depressieve patiënten met dementie, blijft de evidentie ontoereikend 51,52.

Aanpak van dermatomycosen en fluor vaginalis : over dit onderwerp verschenen in het afgelopen jaar geen nieuwe gegevens die een vermelding in deze updating vereisen.


Referenties

1. Gillies D, Sinn JKH, Lad SS, Leach MJ, Ross MJ.: Polyunsaturated fatty acids (PUFA) for attention deficit hyperactivity disorder (ADHD) in children and adolescents. Cochrane Database Syst Rev 2012; 7 Art. No.: CD007986. DOI: 10.1002/14651858.CD007986.pub2.

2. Geller B.: An omega-3 for ADHD shows promise. Journal Watch Psychiatry September 12, 2011. Comment on: Bloch MH, Quawasmi A: Omega-3-fatty acid supplementation for the treatment of children with attention-deficit/hyperactivity disorder symptomatology: systematic review and meta-analysis. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry 2011; 50: 991-1000

3. Bloch MH, Quawasmi A: Omega-3-fatty acid supplementation for the treatment of children with attention-deficit/hyperactivity disorder symptomatology: systematic review and meta-analysis J Am Acad Child Adolesc Psychiatry 2011; 50: 991-1000

4. Geller B.: For ADHD, long-acting methylphenidate is better than atomoxetine. Journal Watch Psychiatry December 22, 2011. Comment on: Hanwella R et al.: Comparative efficacy and acceptability of methylphenidate and atomoxetine in treatment of attention deficit hyperactivity disorder in children and adolescents: a meta-analysis. BMC Psychiatry 2011; 11: 176

5. Hanwella R, Senanayake M, de Silva V.: Comparative efficacy and acceptability of methylphenidate and atomoxetine in treatment of attention deficit hyperactivity disorder in children and adolescents: a meta-analysis. BMC Psychiatry 2011; 11: 176 (doi:10.1186/1471-244X-11-176)

6. Nuwwareh S et al.: Pharmacological and non-pharmacological therapies for adults with attention-deficit/hyperactivity disorder: systematic review and meta-analysis of clinical evidence [internet]. Ottawa: Canadian Agency for Drugs and Technologies in Health; 2011-09-16 [online]. Available from http://www.cadth.ca/media/pdf/htis/sept-2011/RE0026_ADHD_in%20adults_e.pdf

7. Azermai M, Bourgeois J, Petrovic M.: Werkzaamheid en doeltreffendheid van atypische antipsychotica bij volwassenen voor niet-geregistreerde indicaties. Minerva 2012; 10: 75-76. Comment on: Maher AR, Maglione M, Bagley S, et al.: Efficacy and comparative effectiveness of atypical antipsychotic medications for off-label uses in adults: a systematic review and meta-analysis. JAMA 2011; 306: 1359-69

8. Maher AR, Maglione M, Bagley S, et al.: Efficacy and comparative effectiveness of atypical antipsychotic medications for off-label uses in adults: a systematic review and meta-analysis. JAMA 2011; 306: 1359-69

9. Carbon M, Correll CU.: Review: quetiapine monotherapy improves response and remission compared with placebo in generalised anxiety disorder. Evid Based Ment Health 2011; 14: 109 : Comment on: LaLonde CD, Van Lieshout RJ.: Treating generalized anxiety disorder with second generation antipsychotics: a systematic review and meta-analysis J Clin Psychopharmacol 2011; 31: 326-33

10. LaLonde CD, Van Lieshout RJ.: Treating generalized anxiety disorder with second generation antipsychotics: a systematic review and meta-analysis. J Clin Psychopharmacol 2011; 31: 326-33

11. Belgisch Centrum voor Pharmacotherapeutische Informatie. Transparantiefiche "Aanpak van angststoornissen". www.bcfi.be

12. Gibbons RD, Brown CH, Davis JM, et al.: Suicidal thoughts and behavior with antidepressant treatment. Reanalysis of the randomized placebo-controlled studies of fluoxetine and venlafaxine. Arch Gen Psychiatry 2012; 69: 580-7

13. Devi S.: Antidepressant-suicide link in children questioned Lancet 2012; 379: 791

14. Newall C, Hudson JL.: Online cognitive-behaviour therapy is similarly effective to clinic-based CBT for reducing adolescent anxiety. Evid Based Ment Health 2012; 15: 49 Comment on: Spence SH, Donovan CL, March S, et al.: A randomized controlled trial of online versus clinic-based CBT for adolescent anxiety. J Consult Clin Psychol 2011; 79: 629-42

15. Spence SH, Donovan CL, March S, et al.: A randomized controlled trial of online versus clinic-based CBT for adolescent anxiety. J Consult Clin Psychol 2011; 79: 629-42

16. Sarma AV, Wei JT.: Benign prostatic hyperplasia and lower urinary tract symptoms. N Engl J Med 2012; 367: 248-257

17. Roehrborn C, McVary K, Elion-Mboussa A, et al.: Tadalafil administered once daily for lower urinary tract symptoms secondary to benign prostatic hyperplasia: a dose finding study. J Urol 2008; 180: 1228-34

18. McVary K, Roehrborn C, Kaminetsky J, et al.: Tadalafil relieves lower urinary tract symptoms secondary to benign prostatic hyperplasia. J Urol 2007; 177: 1401-7

19. Anonymous: Zolpidem: continued reporting of abnormal sleep-related events and amnesia. Australian Prescriber 2012; 35: 99

20. Amrol DJ.: Combination nasal steroid-antihistamine is more effective than either agent alone. J Watch Gen Med June 19, 2012. Comment on: Carr W, Bernstein J, Lieberman P, et al.: A novel intranasal therapy of azelastine with fluticasone for the treatment of allergic rhinitis. J Allergy Clin Immunol 2012; 129: 1282-9

21. Carr W, Bernstein J, Lieberman P, et al.: A novel intranasal therapy of azelastine with fluticasone for the treatment of allergic rhinitis. J Allergy Clin Immunol 2012; 129: 1282-9

22. Amrol DJ.: Sublingual tablets alleviate grass allergy symptoms. J Watch Gen Med September 27, 2011 Comment on: Didier A, Worm M, Horak F, et al.: Sustained 3-year efficacy of pre- and coseasonal 5-grass-pollen sublingual immunotherapy tablets in patients with grass-pollen induced rhinoconjunctivitis. J Allergy Clin Immunol 2011; 128: 559-66

23. Didier A, Worm M, Horak F, et al.: Sustained 3-year efficacy of pre- and coseasonal 5-grass-pollen sublingual immunotherapy tablets in patients with grass-pollen induced rhinoconjunctivitis. J Allergy Clin Immunol 2011; 128: 559-66

24. Link SM.: Prothrombin complex concentrate reverses the effects of rivaroxaban but not dagigatran. J Watch Cardiology December 14, 2011Comment on: Eerenberg ES, Kamphuisen PW, Sipkens MK, et al.: Reversal of Rivaroxaban and dabigatran by prothrombin complex concentrate: a randomized, placebo-controlled, crossover study in healthy subjects. Circulation 2011; 124: 1573-9

25. Eerenberg ES, Kamphuisen PW, Sipkens MK, et al.: Reversal of Rivaroxaban and dabigatran by prothrombin complex concentrate: a randomized, placebo-controlled, crossover study in healthy subjects. Circulation 2011; 124: 1573-9

26. Stangier J, Rathgen K, Stahle H, et al: Influence of renal impairment on the pharmacokinetics and pharmacodynamics of oral dabigatran etexilate: an open-label, parallel-group, single-centre study. Clin Pharmacokinet 2010; 49: 259-68

27. Canadian Agency for Drugs and Technologies in Health. Rapid Response Report: Antidote treatments for new oral anticoagulants: clinical evidence, cost-effectiveness and guidelines. October 26, 2011. www.cadth.ca

28. Lafuente-Lafuente C, Longas-Tejero MA, Bergmann JF, Belmin J.: Antiarrhythmics for maintaining sinus rhythm after cardioversion of atrial fibrillation. Cochrane Database Syst Rev 2012; 5 Art. No.: CD005049. DOI:10.1002/14651858.CD005049.pub3.

29. Brett AS.: Once-weekly exenatide for type 2 diabetes. J Watch Gen Med February 16, 2012. Comment on: Russell-Jones D, Cuddihy RM, Hanefeld M, et al. for the DURATION-4 Study Group.: Efficacy and safety of exenatide once weekly versus metformin, pioglitazone, and sitagliptin used as monotherapy in drug-naïve patients with type 2 diabetes (DURATION-4): a 26-week double-blind study. Diabetes Care 2012; 35: 252-8 .

30. Russell-Jones D, Cuddihy RM, Hanefeld M, et al. for the DURATION-4 Study Group.: Efficacy and safety of exenatide once weekly versus metformin, pioglitazone, and sitagliptin used as monotherapy in drug-naïve patients with type 2 diabetes (DURATION-4): a 26-week double-blind study. Diabetes Care 2012; 35: 252-8 (doi: 10.2337/dc11-1107).

31. Brett AS.: Once-weekly exenatide: an 84-week study. J Watch Gen Med April 26, 2012 Comment on: Diamant M, Van Gaal L, Stranks S, et al: Safety and efficacy of once-weekly exenatide compared with insulin glargine titrated to target in patients with type 2 diabetes over 84 weeks. Diabetes Care 2012; 35: 683-9

32. Diamant M, Van Gaal L, Stranks S, et al.: Safety and efficacy of once-weekly exenatide compared with insulin glargine titrated to target in patients with type 2 diabetes over 84 weeks. Diabetes Care 2012; 35: 683-9.

33. Karigiannis T, Paschos P, Paletas K, et al.: Dipeptidyl peptidase-4 inhibitors for treatment of type 2 diabetes mellitus in the clinical setting: systematic review and meta-analysis. Brit Med J 2012; 344: e1369

34. Gallwitz B, Rosenstock J, Rauch T, et al.: 2-year efficacy and safety of linagliptin compared with glimepiride in patients with type 2 diabetes inadequately controlled on metformin: a randomised, double-blind, non-inferiority trial. Lancet 2012; 380: 475-83

35. The ORIGIN Trial Investigators.: Basal insulin and cardiovascular and other outcomes in dysglycemia. N Engl J Med 2012; 367: 319-28

36. Hemmingsen B, Lundby L, Wetterslev J, et al.: Comparison of metformin and insulin versus insulin alone for type 2 diabetes: systematic review of randomised clinical trials with meta-analyses and trial sequential analyses. Brit Med J 2012; 344: e1771 (doi:10.1136/bmj.e1771).

37. Brett AS.: Behavioral techniques to address overactive bladder in men. J Watch Gen Med January 19, 2012. Comment on: Burgio KL, Goode PS, Johnson TM, et al.: Behavioral versus drug treatment for overactive bladder in men: the Male Overactive Bladder Treatment in Veterans (MOTIVE) Trial. J Am Geriatr Soc 2011; 59: 2209-16

38. Burgio KL, Goode PS, Johnson TM, et al.: Behavioral versus drug treatment for overactive bladder in men: the Male Overactive Bladder Treatment in Veterans (MOTIVE) Trial. J Am Geriatr Soc 2011; 59: 2209-16

39. Madhuvrata P, Cody JD, Ellis G, Herbison GP, Hay-Smith EJC.: Which anticholinergic drug for overactive bladder symptoms in adults. Cochrane Database Syst Rev 2012; 1 Art. No.: CD005429. DOI: 10.1002/14651858.CD005429.pub2.

40. Shamliyan T, Wyman JF, Ramakrishnan R, et al.: Benefits and harms of pharmacologic treatment for urinary incontinence in women: a systematic review. Ann Intern Med 2012; 156: 861-74

41. Rebar RW.: Estriol vaginal ring vs. oral oxybutynin for overactive bladder. J Watch Women’s Health October 13, 2011. Comment on: Nelken RS, Ozel BZ, Leegant AR, et al.: Randomized trial of estradiol vaginal ring versus oral oxybutynin for the treatment of overactive bladder. Menopause 2011; 18: 962-6

42. Nelken RS, Ozel BZ, Leegant AR, et al.: Randomized trial of estradiol vaginal ring versus oral oxybutynin for the treatment of overactive bladder. Menopause 2011; 18: 962-6

43. Duthie JB, Vincent M, Herbison GP, Wilson DI, Wilson D.: Botulinum toxin injections for adults with overactive bladder syndrome. Cochrane Database Syst Rev 2011; 12 Art. No.: CD005493. DOI: 10.1002/14651858.CD005493.pub3.

44. Howard R, McShane R, Psych FRC, et al.: Donepezil and memantine for moderate-to-severe Alzheimer’s disease. N Engl J Med 2012; 366 (10): 893-903

45. Schneider LS.: Discontinuing donepazil or starting memantine for Alzheimer’s disease? N Engl J Med 2012; 366: 957

46. Rolinski M, Fox C, Maidment I, McShane R.: Cholinesterase inhibitors for dementia with Lewy bodies, Parkinson' s disease dementia and cognitive impairment in Parkinson' s disease. Cochrane Database Syst Rev 2012; 3 Art. No.: CD006504. DOI: 10.1002/14651858.CD006504.pub2.

47. Silver J.: An effective treatment for dementia with Lewy bodies. J Watch Psychiatry March 5, 2012. Comment on: Mori E, et al.: Donepezil for dementia with Lewy bodies: a randomized, placebo-controlled trial. Ann Neurol 2012; 72: 41-52

48. Mori E, Ikeda M, Kosaka K, et al.: Donepezil for dementia with Lewy bodies: a randomized, placebo-controlled trial. Ann Neurol 2012; 72: 41-52

49. Yager Joel.: Antipsychotics vary in mortality risk in dementia patients. J Watch Psychiatry February 2006, 2012. Comment on: Kales HC, Kim HM, Zivin K, et al.: Risk of mortality among individual antipsychotics in patients with dementia. Am J Psychiatry 2012; 169: 71-9

50. Kales HC, Kim HM, Zivin K, et al.: Risk of mortality among individual antipsychotics in patients with dementia. Am J Psychiatry 2012; 169: 71-9

51. Chevalier P.: Zijn antidepressiva zinvol bij patiënten met dementie en depressie? Minerva Online besprekingen 28.10.2011. Comment on: Nelson JC, Devanand DP.: A systematic review and meta-analysis of placebo-controlled antidepressant studies in people with depression and dementia. J Am Geriatr Soc 2011; 59: 577-85

52. Nelson JC, Devanand DP.: A systematic review and meta-analysis of placebo-controlled antidepressant studies in people with depression and dementia. J Am Geriatr Soc 2011; 59: 577-85