Selecties

Hormonaal systeem :

  • Glykemiecontrole*: In monotherapie:
    • Bij onvoldoende controle van de glykemie ondanks levensstijlaanpassingen
    • En eGFR hoger dan 30 ml/min.

* De aanpak van diabetes moet worden aangepast aan elke individuele patiënt. Bij oudere patiënten moet bij het bepalen van de glykemische doelstellingen en bij de keuze van de behandeling rekening gehouden worden met hun mate van zelfredzaamheid en hun comorbiditeiten. Bij sommige oudere patiënten die nog zelfredzaam zijn en geen belangrijke comorbiditeiten hebben, kunnen soms andere geneesmiddelen worden overwogen, al dan niet in combinatie met metformine.

Motivatie

  • In de meeste richtlijnen wordt metformine als eerste keuze aanbevolen.
  • Het is een effectief en goedkoop middel voor de glykemische controle en diabetescomplicaties voorkomen zonder risico op hypoglykemie en gewichtstoename.
  • Qua veiligheid is het gebruik bij patiënten met een lichte tot matige nierfunctiestoornis aanvaardbaar op voorwaarde dat de dosis wordt aangepast, de nierfunctie regelmatig wordt gecontroleerd en wordt geanticipeerd op situaties met een risico op acute verslechtering van de nierfunctie.

Indicatie
Type-2 diabetes - bij onvoldoende levensstijlaanpassingen
Criteria voor
de selectie
Werkzaamheid +
Veiligheid +
Gebruiksgemak +
Prijs +
Expert
consensus
+


Dosering

Geen dosisaanpassing nodig op basis van leeftijd.

  • Starten met 500 mg ’s morgens bij het ontbijt.
  • Indien nodig, na minimum 1 week de dosis opdrijven tot 500 mg 2x/d (’s morgens en ’s avonds).
  • Nadien kan de dosis nog verhoogd worden tot 3 innames van 500 tot 850 mg.
  • Maximale dosis: 850 mg 3x/d.
  • Tijdens of na de maaltijd innemen.

In geval van nierfalen

Creatinineklaring ml/min Dosis
> 60 mL /min geen dosisaanpassing
45 tot 60 mL/min max. 850mg 2x/d
30 tot 45 mL/min max. 500mg 2x/d
< 30 mL/min geen behandeling starten

Delen en pletten

De rubrieken hieronder verwijzen naar de geneesmiddelgroep waartoe het hier beschreven geneesmiddel behoort, indien deze beschikbaar zijn in het Gecommentarieerd Geneesmiddelen Repertorium.

Bijzondere voorzorgen

  • Metformine moet gestopt worden 24 uur vóór een chirurgische ingreep en vóór een radiologisch onderzoek met injectie van joodhoudende contrastproducten, en dit tot 48 uur erna.
  • Het grootste risico op melkzuuracidose treedt op bij kwetsbare patiënten (ouderen of patiënten met hartdecompensatie of COPD) in geval van plotse vermindering van de nierfunctie door dehydratie, zeker bij gelijktijdig gebruik met NSAID’s en/of ACE-inhibitoren of sartanen. Dit kan voorkomen worden door de dosis te verminderen of tijdelijk metformine te staken bij dehydratie. Patiënten met verminderde nierfunctie moeten geïnstrueerd worden hun metformine direct te stoppen bij braken en diarree.
  • Andere situaties die het risico van melkzuuracidose met metformine verhogen: hoge doses, leverinsufficiëntie, excessief alcoholgebruik [zie Folia december 2008 en Folia februari 2009].
  • Bij langdurig gebruik van metformine is het aanbevolen de vitamine B12-spiegels regelmatig (1 keer om de 2 à 3 jaar) te controleren, zeker in aanwezigheid van anemie of perifere neuropathie.

Ongewenste effecten

  • Gastro-intestinale stoornissen; starten aan lage dosis en inname gedurende de maaltijd verbeteren de gastro-intestinale tolerantie.
  • Vaak: vitamine B12-deficiëntie met mogelijk pernicieuze anemie bij langdurig gebruik.
  • Zelden: hypoglykemie; melkzuuracidose, dikwijls fataal, vooral bij risicopersonen (zie rubriek “Bijzondere voorzorgen”).

Interacties

  • Zie 5.1. Diabetes
  • Verhoogd risico van melkzuuracidose bij associëren met hoge doses alcohol, NSAID's of met joodhoudende contraststoffen (zie rubriek “Bijzondere voorzorgen”).

Contra-indicaties

  • Ketoacidose.
  • Aanwezigheid van risicofactoren voor optreden van melkzuuracidose (zie rubriek “Bijzondere voorzorgen”).
  • Algemene anesthesie en radiologisch onderzoek met injectie van joodhoudende contraststoffen: na te leven termijnen (zie rubriek “Bijzondere voorzorgen”).
  • Ernstige nierinsufficiëntie (eGFR < 30ml/min), leverinsufficiëntie (SKP).