Selecties

Cardiovasculair stelsel

  • Hartfalen met gedaalde ejectiefractie: eerste stap - eerste fase.
  • Post-myocard infarct: eerste keuze.
  • Arteriële hypertensie: eerste stap in monotherapie, als alternatief voor de eerste keuze (chlortalidon) in het bijzonder bij hartfalen, chronische nierinsufficiëntie, micro- of macro-albuminurie (al of niet diabetisch) of voorgeschiedenis van myocardinfarct.

Hormonaal stelsel

  • Type 2 diabetes - nefroprotectie: bij proteïnurie (micro- of macroalbuminurie) vanaf > 30 mg/g, onafhankelijk van de bloeddruk.

Motivatie

  • Hartfalen met gedaalde ejectie fractie: In RCT's is er aangetoond dat de ACE-inhibitoren de morbiditeit en mortaliteit doen dalen.
  • Post-myocardinfarct: Aanbevolen in verschillende klinische praktijkrichtlijnen.
  • Arteriële hypertensie: In studies, met een hoge graad van evidentie, is aangetoond dat ACE-inhibitoren de totale mortaliteit verlagen.
  • Nefroprotectie bij type 2 diabetes: bewezen voordeel. In gevallen van proteïnurie (>30mg/g) wordt over het algemeen een ACE-remmer aanbevolen om de progressie van nefropathie te voorkomen, ongeacht de bloeddruk van de patiënt.
  • Er is geen verschil aangetoond tussen de verschillende ACE-inhibitoren.
  • Gebruiksgemak (een dagelijkse inname).

Indicatie
Hartfalen met
gedaalde ejectiefractie
Arteriële
hypertensie
Post-myocard
infarct
Nefroprotectie
(diabetes type 2) - onder
bepaalde voorwaarden
Criteria voor de selectie Werkzaamheid + ++ + +
Veiligheid + + +
Gebruiksgemak + + + +
Prijs
Expert
consensus
+ +


Dosering

Geen dosisaanpassing nodig op basis van leeftijd.
Hieronder wordt aangegeven met welke dosis men gewoonlijk start, en tot waar men deze nadien mag verhogen, voor zover goed verdragen.
Elke dag op ongeveer hetzelfde tijdstip innemen.
Bij renovasculaire hypertensie en wanneer de patiënt reeds op diuretica of zoutarm dieet staat, zijn de begindoses lager.

Hypertensie

  • 10 mg, eventueel tot 40 mg 1x/d.

Hartfalen

  • 2,5 mg, nadien langzaam verhogen tot de maximaal verdraagbare dosis (max. 20 mg 1x/d).

Myocardinfarct (preventie van remodellering)

  • 5 mg, eventueel tot 10 mg 1x/d.

Nefropathie bij hypertensiepatiënten met type 2-diabetes

  • 10 mg, eventueel tot 20 mg 1x/d.

In geval van nierfalen

  • Aanpassing van de dosis et/of toedieningsfrequentie is nodig.
  • De dosis kan worden verhoogd tot de bloeddruk onder controle is, of tot een maximale dosis van 40 mg per dag.

Creatinineklaring (ml/min)

Aanvangsdosis (mg/dag)

31 à 80 ml/min

5-10 mg

10 à 30 ml/min

2,5 mg - 5mg

<10 ml/min

2,5 mg

Delen en pletten

De rubrieken hieronder verwijzen naar de geneesmiddelgroep waartoe het hier beschreven geneesmiddel behoort, indien deze beschikbaar zijn in het Gecommentarieerd Geneesmiddelen Repertorium.

Bijzondere voorzorgen

  • Starten met lage dosis en de dosis langzaam verhogen wegens het risico op verslechtering van de nierfunctie, vooral bij ouderen en bij bestaan van hartfalen of nierinsufficiëntie.
  • Bij patiënten met volumedepletie, bv. bij behandeling met hoge doses diuretica (zie rubriek “Ongewenste effecten”), raadt men aan te starten met een zeer lage dosis (bv. ¼ van de klassieke dosis) van de ACE-inhibitor en deze geleidelijk te verhogen, gezien het risico van hypotensie bij de eerste dosis en bij dosisverhoging.
  • Bij perifeer vaatlijden of veralgemeende atherosclerose moeten ACE-inhibitoren voorzichtig opgestart worden, gezien de grote kans op stenose van de nierarteriën bij deze patiënten.
  • De nierfunctie en de kaliëmie controleren vóór de start van de behandeling of een dosisverhoging en een tweetal weken nadien.
  • Tijdens acute episodes van dehydratie (diarree, braken, koorts,…) die langer dan 24u aanhouden, moet overwogen worden tijdelijk de dosis van de ACE-inhibitor te verlagen of de inname stop te zetten om acute nierschade te voorkomen, zeker bij oudere of kwetsbare patiënten.
  • Bij patiënten met ernstige nierinsufficiëntie (GFR < 30 ml/min/1,73 m2) moet tijdelijke onderbreking van de ACE-inhibitor worden overwogen bij gebruik van beeldvorming met een joodhoudende contraststof.
  • Er is onvoldoende evidentie dat het moment van inname (’s ochtends of ’s avonds) van antihypertensiva een invloed heeft op de werkzaamheid ervan.

Ongewenste effecten

  • Hoest (soms na meerdere jaren behandeling).
  • Hypotensie na de toediening van de eerste dosis van een ACE-inhibitor of na dosisverhoging, vooral bij patiënten met voorafbestaande stimulatie van het renine-angiotensine-systeem (volumedepletie door diuretica, hartfalen, stenose van de nierarteriën), en dit vooral bij de behandeling van hartfalen.
  • Verslechtering van de nierfunctie (en soms acute nierinsufficiëntie), vooral bij patiënten met voorafbestaand nierlijden en bij patiënten met hartfalen, uitgesproken volumedepletie of dehydratie.
  • Hyperkaliëmie, zelden hyponatriëmie.
  • Rash.
  • Gastro-intestinale stoornissen (o.a. diarree), smaakstoornissen.
  • Angio-oedeem, dat soms pas na meerdere maanden tot jaren behandeling optreedt, en frequenter is bij patiënten van Afrikaanse afkomst en bij patiënten met antecedenten van angio-oedeem dat niet te wijten was aan ACE-inhibitorgebruik.

Interacties

  • Overdreven bloeddrukdaling, vooral orthostatisch, bij combineren van meerdere antihypertensiva, bij associëren met nitraten, molsidomine, fosfodiësterase type 5-inhibitoren, levodopa of alcohol en bij volumedepletie.
  • NSAID’s kunnen het effect van antihypertensiva tegengaan.
  • Verhoogd risico van hyperkaliëmie bij associëren met andere kaliumsparende middelen (o.a. kaliumsupplementen (ook dieetzouten), kaliumsparende diuretica, ACE-inhibitoren/sartanen, trimethoprim (co-trimoxazol), heparines en NSAID’s); dit risico is vooral hoog bij bestaan van nierinsufficiëntie (zie Inl.6.2.7. Hyperkaliëmie).
  • Verdere verslechtering van de nierfunctie (met risico van acute nierinsufficiëntie) bij associëren met NSAID’s of diuretica, vooral bij stenose van de nierarteriën of volumedepletie. Dit geldt zeker bij combineren van een ACE-inhibitor + een NSAID + een diureticum.
  • Een beperkt verhoogd risico van hypoglykemische aanvallen bij patiënten op insuline, hypoglykemiërende sulfamiden, gliniden.
  • Stijging van de plasmaconcentraties van lithium.
  • Verhoogd risico op angio-oedeem bij gelijktijdig gebruik van andere geneesmiddelen die angio-oedeem kunnen veroorzaken: sacubitril/valsartan complex, racecadotril, everolimus, sirolimus en temsirolimus, estramustine en vildagliptine (en mogelijk ook de andere gliptines).

Contra-indicaties

  • Zwangerschap.
  • Bilaterale stenose van de nierarteriën of stenose bij unieke nier.
  • Hyperkaliëmie.
  • Voorgeschiedenis van angio-oedeem op ACE-inhibitoren, hereditair of idiopathisch angio-oedeem.
  • Gelijktijdig gebruik van sacubitril/valsartan complex.
  • Fosinopril: ernstige nierinsufficiëntie (SKP).
  • Zofenopril: ernstige leverinsufficiëntie (SKP).
  • Op de website https://www.geneesmiddelenbijlevercirrose.nl worden de ACE-inhibitoren als “onveilig” (te vermijden) bij levercirrose beoordeeld.

Prijstabel