Recente informatie november 2015: Harpagophytum, secukinumab, obinutuzumab, ribavirine via verneveling


Abstract

: geneesmiddel onder aanvullende monitoring, waarvoor het melden van ongewenste effecten aan het Belgisch Centrum voor Geneesmiddelenbewaking wordt aangemoedigd.

  • Harpagophytum (Arkoflex®; hoofdstuk 9.4. Artrose) is een plant waarvan de wortel anti-inflammatoire en analgetische eigenschappen zou hebben. Deze specialiteit heeft in de Samenvatting van de Kenmerken van het Product (SKP) als indicatie "de symptomatische behandeling van mineure pijnlijke gewrichtsaandoeningen". Het gaat om een registratie die toegekend is op basis van "traditioneel gebruik" [wat betreft de reglementering in verband met geneesmiddelen op basis van planten, zie Folia april 2011 en juli 2015 ], en niet op basis van degelijke studies. De ongewenste effecten gerapporteerd met Harpagophytum zijn vooral gastro-intestinale last (maagpijn, dyspepsie, intestinale bloedingen) en allergische huidreacties. Enkele studies toonden een beperkte doeltreffendheid van Harpagophytum tegen pijn bij artrose maar er zijn geen vergelijkende gegevens beschikbaar ten opzichte van paracetamol of nietsteroïdale anti-inflammatoire middelen. Wegens het gebrek aan goede evidentie over doeltreffendheid en het risico van gastro-intestinale ongewenste effecten, is het geen eerstekeuzebehandeling.1
  • Secukinumab (Cosentyx®; hoofdstuk 12.3.2.19.), een humaan monoklonaal antilichaam tegen interleukine 17A, heeft als indicatie de behandeling van matige tot ernstige psoriasis vulgaris. De ongewenste effecten van secukinumab zijn potentieel ernstige allergische reacties, urticaria en verhoogde gevoeligheid voor infecties. Zoals met alle immunosuppressiva is een verhoogd risico van maligniteit niet uit te sluiten. Gezien de nog zeer beperkte ervaring kan een dergelijke behandeling slechts overwogen worden in ernstige gevallen van psoriasis bij onvoldoende antwoord op, of contra-indicatie voor andere systemische behandelingen zoals PUVA-therapie, methotrexaat, ciclosporine of TNF-remmers.
  • Obinutuzumab (Gazyvaro®; hoofdstuk 13.6.), een monoklonaal antilichaam dat het CD20-antigeen op het oppervlak van B-lymfocyten herkent, heeft, zoals rituximab, als indicatie de behandeling van bepaalde gevallen van chronische lymfatische leukemie. Zoals met rituximab zijn de belangrijkste ongewenste effecten van obinutuzumab anafylactische reacties, tumorlysis-syndroom, cardiale toxiciteit en progressieve multifocale leuko-encefalopathie. Het is niet bewezen dat obinutuzumab een meerwaarde heeft ten opzichte van rituximab.2
  • De specialiteit Virazole® (hoofdstuk 11.4.2.), op basis van ribavirine, die zonder veel evidentie gebruikt werd via verneveling bij infecties door het Respiratoir Syncytieel virus (RSV) is uit de markt genomen. Ribavirine is nog steeds beschikbaar als orale vorm (Copegus®, Rebetol®, Ribavirine®) voor de behandeling van chronische hepatitis C.

1 La Revue Prescrire 2005; 25: 218–220; La Revue Prescrire 2013; 33: 352; DTB 2012; 50: 8–12DTB 2012; 50: 8-12

2 La Revue Prescrire 2015; 35: 414–415; Pharma Selecta 2015; 31: 34–38; Australian Prescriber 2014; 37