Kernboodschappen
Voorkamerfibrillatie is een aandoening die vooral bij oudere personen voorkomt: 80% van de patiënten met VKF is ≥ 65 jaar en naar schatting 10% van de personen van 80 jaar vertoont voorkamerfibrillatie4.
In de meeste studies naar de behandeling van VKF werden vooral niet-kwetsbare oudere patiënten opgenomen die weinig comorbiditeit vertoonden.
De oudere patiënten met VKF in de dagelijkse praktijk, hebben echter een heel ander profiel. Die hebben vaak meerdere aandoeningen, nemen meerdere geneesmiddelen in, hebben soms een of meer geriatrische syndromen en soms ook een beperkte levensverwachting. Die patiënten zijn dus ondervertegenwoordigd in de studies waarop de aanbevelingen voor de klinische praktijk gebaseerd zijn.
Afhankelijk van hun comorbiditeit en levensverwachting kunnen de prioriteiten van oudere patiënten op het vlak van gezondheidsdoelen bovendien sterk uiteenlopen.
In dit nieuwe literatuuroverzicht dat gepubliceerd werd in het BMJ1, wordt een aanpak van VKF op maat voor oudere patiënten beschreven, die zowel rekening houdt met hun mate van kwetsbaarheid als met hun wensen bij het levenseinde.
Het literatuuronderzoek waarop dit artikel gebaseerd is, was gericht op gerandomiseerde klinische studies (RCT’s) die tussen 2010 en mei 2023 gepubliceerd werden en specifiek betrekking hadden op voorkamerfibrillatie bij oudere patiënten.
Gezien de grote heterogeniteit van de geriatrische populatie stellen de auteurs voor om 3 categorieën van patiënten te onderscheiden. Die verschillen op het vlak van levensverwachting en de aanwezigheid/ernst van comorbiditeit bij de oudere patiënten.
Die classificatie heeft als voordeel dat voor elke categorie van patiënten een specifieke aanpak van VKF kan worden voorgesteld.
De verschillende profielen kunnen op de volgende manier worden samengevat:
Alleen behandelingen die een echte meerwaarde zijn voor het comfort van de patiënt worden (verder) toegediend.
De auteurs van het artikel wijzen er ook op dat het belangrijk is om rekening te houden met de wensen van de patiënt. Een behandeling die aangepast lijkt aan de eigenschappen van de oudere patiënt blijkt in de praktijk immers niet altijd de meest geschikte voor die persoon (zo weigeren sommige patiënten een procedure omwille van de potentiële ongewenste effecten).
Er bestaat geen enkele twijfel dat VKF moet opgespoord worden na een cerebrovasculair accident (CVA) of een transient ischemic attack (TIA).
Het is evenwel minder duidelijk of screening van alle patiënten voordelen heeft. Het is immers niet duidelijk bewezen dat oudere mensen meer op VKF screenen klinische voordelen oplevert, zoals een verlaging van het aantal CVA’s.
Er kunnen echter wel bepaalde levensstijl- en dieetmaatregelen genomen worden om het risico van CVA te verminderen:
* Bij oudere patiënten wordt meestal een gewichtscontrole nagestreefd om verlies van spiermassa te vermijden.
In dit literatuuroverzicht geven de auteurs de volgende aanbevelingen voor de verschillende profielen van oudere patiënten:
Er zijn twee strategieën voor de behandeling van voorkamerfibrillatie: controle van de hartfrequentie (‘rate control’) of controle van het hartritme (‘rhythm control’).
Volgens de huidige richtlijnen2,3,4,5 gaat de voorkeur uit naar ‘rate control’.
De ontwikkeling en verbetering van de technieken voor katheterablatie van de VKF-haard in de laatste jaren heeft geleid tot hernieuwde interesse voor de strategie van ‘rhythm control’. De European Society of Cardiology (ESC)3 beveelt aan om ‘rhythm control’ te overwegen bij patiënten met VKF en stelt katheterablatie voor als eerste keuze in meerdere indicaties.
Daarom neigen de auteurs van dit artikel naar een voorkeur voor ‘rhythm control’ bij autonome oudere patiënten die in goede conditie zijn.
Bij kwetsbare oudere patiënten met meerdere aandoeningen blijft die strategie eveneens een optie (bijvoorbeeld als VKF de levenskwaliteit aantast).
Bij patiënten op het einde van hun leven heeft ‘rhythm control’ alleen zin als die het comfort van de patiënt verbetert. Katheterablatie lijkt voor dit profiel van patiënten echter weinig geschikt.
En bij patiënten met hartfalen?
Vaak bestaat er een nauw verband tussen VKF en hartfalen: hartfalen verhoogt het risico op VKF en VKF verergert het hartfalen.
Bij hartfalen met gedaalde ejectiefractie (HFrEF) bevelen de auteurs van het artikel aan om snel over te gaan tot ‘rhythm control’, en de eerste keuze gaat daarbij uit naar katheterablatie. (NB BCFI: de meeste antiaritmica zijn gecontra-indiceerd bij hartfalen.)
Hartfalen met bewaarde ejectiefractie (HFpEF) werd in dit literatuuroverzicht niet besproken.
Antistolling bij patiënten van ≥ 75 jaar is opgenomen in de huidige richtlijnen voor de klinische praktijk, en de meeste organisaties gebruiken daarvoor de CHA2DS2-VASc- en de CHA2DS2-VA-score.
De relevantie van tromboprofylaxe bij oudere patiënten kan echter om meerdere redenen in vraag worden gesteld:
De auteurs van dit literatuuroverzicht geven daarom de volgende aanbevelingen:
Het is altijd nuttig om bij patiënten met VKF naast het risico op trombo-embolie ook het risico op bloeding te evalueren (bijvoorbeeld met de klinische HAS-BLED-score). Aangezien het risico op bloeding kan variëren over de tijd, is het gebruik van zo een klinische score vooral nuttig om eventuele reversibele risicofactoren voor bloeding op te sporen/aan te pakken en te bepalen of een langere klinische controle nodig is.4 De klinische scores die het bloedingsrisico evalueren, mogen daarom op zich geen formele contra-indicatie voor antistolling vormen4.
Als antistolling geïndiceerd is, moet de voorkeur volgens de auteurs van het artikel uitgaan naar directe orale anticoagulantia (DOAC’s) in plaats van naar vitamine K-antagonisten (VKA’s).
De auteurs onderbouwen dat standpunt door erop te wijzen dat de werkzaamheid van beide klassen van geneesmiddelen vergelijkbaar is, en dat het risico op interacties en bloedingen hoger is met VKA’s.
Bovendien vereisen DOAC’s geen bloedcontroles, waardoor ze minder belastend zijn voor de patiënt.
Op basis van de observationele gegevens die momenteel beschikbaar zijn, wordt apixaban in het artikel als eerste keuze aangeduid omdat het minder risico op bloeding geeft dan de andere DOAC’s.
Als de patiënt al een stabiele antistolling krijgt met een VKA, wordt aanbevolen om de antistolling niet te vervangen door een DOAC omdat bij zo een vervanging het risico op bloeding verhoogt en het risico op trombo-embolische complicaties niet verlaagt.
(NB BCFI: een VKA blijft de eerste keuze bij een mitralis-stenose of een klepprothese).
Tot slot, acetylsalicylzuur (ASA) heeft geen plaats als alternatief voor antistolling omdat ASA het risico op bloeding verhoogt, zonder voldoende bescherming tegen CVA.
Chronische nierinsufficiëntie verhoogt het risico op VKF en CVA, maar ook het risico op bloeding.
Dit literatuuroverzicht geeft volgende informatie:
Dit literatuuroverzicht heeft de verdienste dat ze aandacht besteedt aan het probleem van voorkamerfibrillatie bij kwetsbare oudere patiënten. Die populatie is tot dusver te vaak ondervertegenwoordigd in de studies die als basis dienen voor de richtlijnen voor de klinische praktijk.
Binnen de strategie van ‘rhythm control’ is het belangrijk om onderscheid te maken tussen katheterablatie van de VKF-haard en een medicamenteuze behandeling met antiaritmica.
Dat er weer meer interesse is voor ritmecontrole, is grotendeels te danken aan de EAST-AFNET4-studie7.
Deze studie toonde dat ritmecontrole het risico op cardiovasculaire mortaliteit, CVA of hospitalisatie wegens hartfalen of acuut coronair syndroom een jaar na de diagnose van VKF meer verlaagt dan ‘rate control’ (HR 0,79 met 95%-BI van 0,66 tot 0,94).
Aangezien de strategie van ritmecontrole twee erg verschillende types van interventie omvatte (katheterablatie versus het gebruik van antiaritmica), is het moeilijk om duidelijke conclusies te trekken over het nut ervan, en het is mogelijk dat de positieve resultaten van de ritmecontrole te verklaren zijn door de toepassing van de ablatie.
Meerdere studies8 hebben immers uitgewezen dat ablatie tot een betere ritmecontrole leidt dan een medicamenteuze behandeling met antiaritmica.
Bovendien toonde een recente meta-analyse9 dat met uitzondering van de acute fase na de interventie, ablatie betere resultaten opleverde dan de medicamenteuze behandeling op het vlak van harde eindpunten (ischemisch CVA, totale mortaliteit, hospitalisatie wegens hartfalen).
We moeten dus voorzichtig zijn als de auteurs van dit literatuuroverzicht ‘rhythm control’ aanbevelen. Voorzichtigheid blijft altijd geboden met antiaritmica omdat ze een nauwe therapeutisch-toxische marge hebben, tal van interacties vertonen en ernstige ongewenste effecten kunnen veroorzaken.
Ondanks de toenemende interesse voor de strategie van 'rythm control gaat de voorkeur in de huidige aanbevelingen nog altijd uit naar ‘rate control’. 2,3,4,5
Het BCFI betreurt dat er geen gerandomiseerde klinische studies zijn uitgevoerd waarin verschillende anticoagulantia met elkaar vergeleken werden in de preventie van trombo-embolische events als gevolg van VKF.
De voorkeur voor een DOAC (en meer bepaald apixaban) in dit literatuuroverzicht berust op observationele studies.
Daarom is het moeilijk om een duidelijk standpunt in te nemen met betrekking tot de voorkeur voor een bepaalde molecule boven een andere voor antistolling bij VKF.
| In goede conditie/autonoom | Meerdere aandoeningen/kwetsbaar | Levenseinde | |
|
Comorbiditeit Levensverwachting |
+/- > 10 jaar |
++ 1-10 jaar |
+++ < 1 jaar |
| Screening | Te bespreken | Te weinig gegevens | Niet aanbevolen |
| Risicofactoren aanpakken | Aanbevolen | Te bespreken | Alleen indien ↗ comfort |
| Rhythm control? | Aanbevolen (ablatie?) |
Te overwegen (ablatie?) | Alleen indien ↗ comfort (a priori geen ablatie) |
| NB BCFI: ‘Rate control’ blijft de eerstekeuzebehandeling in de richtlijnen2,3,4,5 |
|||
| Antistolling | Bespreek de risico-batenverhouding – Grijp in op de risicofactoren | ||
| Aanbevolen | Te bespreken | Overweeg stopzetting | |
|
Observationele gegevens in het voordeel van DOAC’s (apixaban) NB BCFI: er zijn geen RCT’s waarin anticoagulantia worden vergeleken voor VKF |
|||
1 Parks AL, Frankel DS, Kim DH, et al. Management of atrial fibrillation in older adults. BMJ. 2024;386:e076246. Published 2024 Sep 17. doi:10.1136/bmj-2023-076246
2 NHG-Richtlijnen Atriumfibrilleren
3 Van Gelder IC, Rienstra M, Bunting KV, et al. 2024 ESC Guidelines for the management of atrial fibrillation developed in collaboration with the European Association for Cardio-Thoracic Surgery (EACTS). Eur Heart J. 2024;45(36):3314-3414. doi:10.1093/eurheartj/ehae176
4 BMJ Best Practice. Established atrial fibrillation. Geraadpleegd op 08/05/2025.
5 National Institute for Health and Care Excellence. (2021). Atrial fibrillation: diagnosis and management. [NICE guideline NG196].
6 By the 2023 American Geriatrics Society Beers Criteria® Update Expert Panel. American Geriatrics Society 2023 updated AGS Beers Criteria® for potentially inappropriate medication use in older adults. J Am Geriatr Soc. 2023;71(7):2052-2081. doi:10.1111/jgs.18372
7 Kirchhof P, Camm AJ, Goette A, et al. Early Rhythm-Control Therapy in Patients with Atrial Fibrillation. N Engl J Med. 2020;383(14):1305-1316. doi:10.1056/NEJMoa2019422
8 Schwennesen HT, Andrade JG, Wood KA, Piccini JP. Ablation to Reduce Atrial Fibrillation Burden and Improve Outcomes: JACC Review Topic of the Week. J Am Coll Cardiol. 2023;82(10):1039-1050. doi:10.1016/j.jacc.2023.06.029
9 Montané B, Zhang S, Wolfe JD, et al. Catheter and Surgical Ablation for Atrial Fibrillation : A Systematic Review and Meta-analysis. Ann Intern Med. Published online July 1, 2025. doi:10.7326/ANNALS-25-00253