De informatie over het serotoninesyndroom in de Inleiding van het Repertorium (Inl.6.2.4.) is herzien op basis van de meeste recente info in onze bronnen Stockley’s Drug Interactions, Martindale en BMJ Best Practice.1-5 We hernemen hier de geüpdatete info uit het Repertorium, met nog meer details. We bespreken de oorzaken, de klinische kenmerken, het tijdsinterval en de aanpak, de betrokken geneesmiddelen, en hoe serotoninesyndroom te onderscheiden van onder andere anticholinerge toxiciteit.
Kernboodschappen
Het serotoninesyndroom is een zeldzaam ongewenst effect van serotonerge geneesmiddelen, als gevolg van een verhoogde serotonine-activiteit in het centraal zenuwstelsel. Klinisch wordt het syndroom gekenmerkt door een veranderde mentale stuatus, disfunctie van het autonome systeem en neuromusculaire stoornissen (zie verder). De ernst van de symptomen neemt toe met toenemende serotonineconcentratie, en is dus dosisafhankelijk. Hoewel men meestal spreekt van “serotoninesyndroom”, wordt tegenwoordig de term “serotoninetoxiciteit” als nauwkeuriger beschouwd, omdat het om een spectrum van toxiciteit gaat dat kan variëren van mild tot mogelijk levensbedreigend.
Gegevens over de incidentie van het serotoninesyndroom zijn schaars en laten geen conclusies toe (onderrapportering, moeilijkheid om het syndroom te herkennen, variërende diagnostische criteria…). Een analyse van studies met gegevens over incidentie (2024) vermeldt dat de incidentie na gebruik van therapeutische doses van specifieke serotonerge geneesmiddelen varieerde van 0,006% tot 25% ; de incidentiecijfers bij sommige overdoseringen zijn hoog: 15% na overdosis met een SSRI of SNRI; 55% na moclobemide-intoxicatie (zeker wanneer nog andere serotonerge geneesmiddelen werden genomen).
Ernstige gevallen van serotoninetoxiciteit worden meestal gezien bij inname van twee of meer serotonerge geneesmiddelen die via een verschillend mechanisme de serotonineconcentratie in de hersenen verhogen.
Mechanismen van geneesmiddelen om de serotonineconcentratie in de hersenen te verhogen, zijn:
Levensbedreigende gevallen zijn vooral beschreven met de combinatie MAO-inhibitor + SSRI. Combinatie van serotonerge geneesmiddelen die de serotonineconcentratie via een verschillend mechanisme verhogen (zeker de combinatie MAO-inhibitor + SSRI), moet vermeden worden.
Serotoninetoxiciteit is ook beschreven bij combinaties van serotonerge geneesmiddelen die via een zelfde mechanisme de serotonineconcentratie verhogen, bv. een SSRI, samen met tramadol, sint-janskruid of trazodon. Voorzichtigheid is geboden, met alertheid voor symptomen van serotoninetoxiciteit.
Het serotoninesyndroom kan ook worden veroorzaakt door overdosering of dosisverhoging van één serotonerg middel. Matig ernstig serotoninesyndroom is beschreven in 15% van de SSRI’s-overdoses.
Nota: het Belgisch Centrum voor Geneesmiddelenbewaking ontving in de periode 2010 – 2025 een 40-tal meldingen van serotoninesyndroom. Er waren 10 gevallen waarin combinaties van serotonerge geneesmiddelen werden genomen en waarvan geweten was dat ze tot hospitalisatie leidden.
Het ging om volgende combinaties (de onderstreepte geneesmiddelen worden vermeld in onze tabel 1 of tabel 2):
Het blijft onduidelijk waarom veel patiënten twee of meer serotonerge geneesmiddelen kunnen nemen zonder problemen, terwijl bij een zeer klein aantal potentieel ernstige serotoninetoxiciteit optreedt.
Het serotoninesyndroom kan ook ontstaan door een nieuw serotonerg geneesmiddel te snel op te starten na het stoppen van het eerst gebruikte serotonerg middel. Bijvoorbeeld: onvoldoende lange wash-out periode tussen stoppen van een SSRI (en zeker fluoxetine dat een lange halfwaardetijd heeft), en starten van een MAO-inhibitor. Het is raadzaam de SKP’s te raadplegen voor de intervallen tussen stoppen van het ene geneesmiddel en starten van het andere geneesmiddel.
Wash-out periode tussen stoppen MAO-inhibitor en starten SSRI, en omgekeerd
(bron: Stockley’s Drug Interactions)
| Gestopt geneesmiddel | Wash-out periode | Nieuw middel |
| fenelzine (irreversibele, niet-selectieve MAO-inhibitor) | minstens 14 dagen | SSRI |
| moclobemide (reversibele MAO-A-inhibitor) | 24 uur | SSRI |
| SSRI: citalopram, escitalopram, fluvoxamine, paroxetine, sertraline, en dapoxetine | 7 dagen | fenelzine of moclobemide |
| SSRI: fluoxetine | minstens 5 weken (langer wanneer fluoxetine langdurig of in hoge dosis werd gebruikt) | fenelzine of moclobemide |
Het serotoninesyndroom wordt gekenmerkt door volgende triade van symptomen:
Ernstige gevallen van serotoninesyndroom kunnen leiden tot complicaties zoals epileptische aanvallen, rhabdomyolyse, myoglobinurie, metabole acidose, nierfalen, acute respiratory distress syndrome (ARDS), ademhalingsfalen, diffuse intravasculaire stolling, coma en overlijden.
Er bestaan verschillende diagnostische criteria, maar de Hunter Serotonine Toxiciteit Criteria (HSTC) zijn de meest accurate en specifieke, en ze zijn ook ontworpen om de vroege, milde of subacute vormen van serotoninesyndroom te herkennen. Clonus is het belangrijkste diagnostisch kenmerk.
Hypertonie/rigiditeit door aanhoudende spontane clonus, en hyperthermie wijzen op ernstige toxiciteit, met nood aan dringende behandeling.
Nota: Symptomen die kunnen optreden na starten van SSRI’s zoals agitatie, tachycardie, tremor en diarree zijn vaak voorbijgaand of verminderen na dosisverlaging. Deze symptomen moeten niet verward worden met serotoninesyndroom.
Het serotoninesyndroom treedt gewoonlijk op binnen de 24 uur, en zelfs meestal binnen de 6 uur, na start van een serotonerg geneesmiddel, wijziging in dosis of overdosering.
Snelle diagnose is erg belangrijk omdat de toestand van de patiënt snel kan verslechteren wanneer bijkomende doses van de oorzakelijke medicatie worden gegeven.
Bij vermoeden van een serotoninesyndroom moet de verantwoordelijke medicatie onmiddellijk gestopt worden.
De aanpak van matig ernstig en ernstig serotoninesyndroom berust op verlichting van de symptomen en ondersteunende zorg.
Details over de aanpak vallen buiten het bestek van dit artikel.
Na stoppen van de oorzakelijke medicatie en het geven van ondersteunende zorg, verdwijnen de symptomen bij milde en matige ernstige serotoninetoxiciteit meestal binnen de 24 uur of binnen enkele dagen (afhankelijk van de halfwaardetijd van het geneesmiddel). Ook bij ernstige serotoninetoxiciteit treedt volledig herstel op, tenzij de behandeling laattijdig is gestart en multi-orgaanfalen optreedt. Bij snelle aanpak bedraagt de mortaliteit < 1%.
Na herstel kan individueel bekeken worden of behandeling met één serotonerg geneesmiddel – eventueel aan lagere dosis - kan herstart worden. De patiënt moet daarbij wel worden opgevolgd.
In tabel 1 en tabel 2 worden de geneesmiddelen vermeld die zijn geassocieerd met serotoninetoxiciteit (niet-exhaustieve lijst, bron: Stockley’s Drug Interactions). Stockley’s Drug Interactions onderscheidt:
Tabel 1: Belangrijkste geneesmiddelen geassocieerd met serotoninetoxiciteit (niet-exhaustief),
en hun mechanisme
| Belangrijkste serotonerge geneesmiddelen | Mechanisme |
| amfetaminen: dexamfetamine (enkel magistraal), lisdexamfetamine |
|
|
volgende antidepressiva :
|
|
| chloorfenamine | inhibitie van de heropname van serotonine |
| dapoxetine (SSRI) | inhibitie van de heropname van serotonine en van de afbraak van serotonine |
| dextromethorfan | verhogen van de serotoninevrijstelling + inhibitie van de heropname van serotonine |
| linezolid | inhibitie van de afbraak van serotonine |
| methyleenblauw | inhibitie van de afbraak van serotonine |
| volgende opioïden: fentanyl, methadon, pethidine, tramadol | inhibitie van de heropname van serotonine NB pethidine en tramadol: ook verhogen van de serotoninevrijstelling |
| drugs: cocaïne, ectasy | verhogen van de serotoninevrijstelling + inhibitie van de heropname van serotonine |
Tabel 2: Andere geneesmiddelen waarvoor serotoninetoxiciteit is gesuggereerd, maar met onduidelijk
mechanisme of beperkte evidentie
| Andere geneesmiddelen waarvoor serotoninetoxiciteit is gesuggereerd | Gesuggereerd mechanisme |
|
volgende antidepressiva:
|
|
| lithium | verhogen van de post-synaptische receptorrespons |
| MAO-B-inhibitoren bij ziekte van Parkinson: selegiline, rasagiline en safinamide (nota: selegiline verliest bij doses >10 mg per dag zijn selectiviteit) | inhibitie van de afbraak van serotonine |
| methylfenidaat | niet gekend – geen significante inhibitor van de heropname van serotonine |
| volgende opioïden: buprenorfine, codeïne, morfine, oxycodon, tapentadol (let op: andere opioïden worden vermeld bij de belangrijkste serotonerge geneesmiddelen) | niet gekend |
| triptanen | serotoninereceptor-agonist |
Andere door geneesmiddelen veroorzaakte aandoeningen, zoals maligne antipsychoticasyndroom, maar ook anticholinerge toxiciteit en maligne hyperthermie worden vaak verward met serotoninetoxiciteit. Onderscheidende tekenen en symptomen zijn (bron: BMJ Best-Practice):
1 Stockley’s drug Interactions. Drugs with serotonergic activity + Other drugs with serotonergic activity. (Latest modification: 01-Apr-2025). Via MedicinesComplete (betalend). Laatst geraadpleegd op 01/09/2025.
2 Stockley’s drug interactions. Trazodone + SSRIs / SSRIs + St John’s wort (Hypericum perforatum) / SSRI’s + Opioids; Tramadol. Laatst geraadpleegd op 01/09/2025.
3 Stockley’s drug Interactions. Table 36.3 Drugs associated with serotonin toxicity (list not exhaustive). Via MedicinesComplete (betalend). Laatst geraadpleegd op 01/09/2025.
4 Martindale: The Complete drug Reference. Serotonine syndrome. ). Via MedicinesComplete (betalend). Laatst geraadpleegd op 01/09/2025.
5 BMJ Best Practice. Serotonine syndrome. (Last updated : Oct 07,2022). Laatst geraadpleegd op 01/09/2025.